Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar uitsluitend of in hoofdzaak als een zaak van beroepspolitiek, waar over en weer voor- en tegenstanders politieke munt uit zouden kunnen slaan. Uit een rechtvaardigheidsoogpunt beschouwd is er geen twijfel aan, dat wanneer de vrouw er prijs op stelt mee deel te nemen aan het staatsbestuur, het een zeer grof machtsmisbruik van den man is om haar deze deelname te ontzeggen. Dat een dergelijk machtsmisbruik ontevredenheid en verbittering kweeken moest, was met volkomen zekerheid te voorspellen. Ook in de politiek is strikte rechtvaardigheid de allerhoogste eisch.

Het standpunt van de Algemeene Staatsparty tegenover hél vraagstuk van onze weermacht wordt het beste gedemonstreerd door het feit dat op alle candidatenlijsten die door de A. S. p. in 1918 worden ingediend, de naam G. polvliet voorkomt, en dat deze naam op de lijsten in de kieskringen Haarlem en Den Helder bovenaan staat. Het standpunt van den oud kapitein Polvliet omtrent lichamelijke opvoeding, omtrent democratiseering en moderniseering van de weermacht, omtrent de noodzakelijkheid van te breken met coteriegeest en nepotisme, met sleur en paperasserij, met het blindelings navolgen van Duitsche systemen en methoden kan als bekend worden verondersteld. Wij moeten niet hebben een duur beroepsleger dat verstart en verstijft in een zelfvoldaan isolement, maar een volksleger wortelend in het besef dat ieder Nederlander, zoo noodig, verplicht is, naar de mate zijner krachten en vermogens, zich geheel te geven voor de verdediging van onze heiligste goederen.

Wat de Huurcommissiewet betreft nam de A. S. p. uitdrukkelijk stelling. Nadat in de Staatsburger van 15 October 1917 op een paar leemten in de Huurcommissiewet was gewezen, werd op een tweetal openbare vergaderingen, gehouden den I5en en 2oen November, deze wet en de werkingswijze ervan uitvoerig behandeld.

Er werd vooral gewezen op de eigenaardige, totaal ongemotiveerde grens tusschen woningen van hooge en lage huurwaarde en op het feit dat de huurcommissiewet uitsluitend een repressief, en geen preventief karakter heeft; dat zij wel gelegenheid geeft om het opdrijven van huishuur te straffen maar geen gelegenheid om bij pogingen tot een dergelijke opdrijving onmiddellijk in te grijpen; dat zij zoodoende over het algemeen pas in werking komt wanneer het te laat is. De Huurcommissiewet ademt niet den

Sluiten