Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblik lag in het feit, dat de liberale partij in de minderheid was gekomen in de Tweede Kamer; iedere staatkundige partijbehoort toch bedacht te zijn op het tijdstip, dat zij niet langer aan het roer van Staat de richting aanwijst; de veerkracht die door langdurig gebruik afneemt, herwint zij allicht wanneer tijdelijke tegenspoed haar staalt. Maar wel daarin, dat wij door die nederlaag gedwongen worden de gelederen te monsteren en aan nauwlettende toetsing te onderwerpen de idealen die wij ons van het Staatstoestel vormen. En tegenover hen, die beweerden of voorwendden, dat ze niet wisten wat de hoogste leidende gedachte van de liberale partij was, verklaarde hij: Aan niemand, in ons land en daarbuiten, behoeft het onbekend te v/ezen, dat de liberale partij: zelfstandige verwezenlijking van den Rechtsstaat begeert — zelfstandig in diepgaande tegenstelling met de Kerkelijke partijen, die voor het Staatsrecht bij de Openbaring ter schoole gaan.

En aan hen die gesmaald hadden op het gemis aan een program van beginselen riep hij toe: Zoo jong is onze partij niet, dat zij een aanbevelingsbrief zou behoeven in den vorm van een programma van beginselen, noch zoo arm aan daden, dat zij het recht zou missen daarheen te verwijzen.

Ook de aantijgingen waaraan de oprichters- van de Liberale Unie van clericale zijde hadden blootgestaan werden niet vergeten en eene vergelijking gemaakt tusschen „de mannén vergrijsd in den staatsdienst, die het gezag van hun woord leenden tn en buiten 's lands raadzaal nu aan woordspelingen van betwistbaren smaak, . dan aan toedichtingen en vooroordeelen, ter bestrijding waarvan men 1 hen, uithoofde hunner ontwikkeling, allermeest en allereerst geroepen achtte" en Groen van prinsterer, wiens aristocratische gedachten, sfeer en keurige deftigheid, wiens fijnheid van vorm en soberheid van inkleeding ook zelfs in het warmste toernooi met onzen Thorbecke, zijn „ouden vriend", hem nooit begaven.

Met nadruk werd eindelijk opgekomen tegen de toen reeds \ geuite nietswaardige beschuldiging dal liberalisme en ongeloof termen van ééne beteekenis zouden zijn, en daarbij herinnerd aan de bekende passage uit Thorbecke's brieven: „Het komt mij voor, dat de onderscheidene kringen van menschelijke kennis en bedrijf alle door de ééne Goddelijke waarheid worden ingesloten. Doch ieder van du kringen heeft zijne bijzondere wetten, die onze ■werkzaamheden binnen dezelve regelen, en du nut dan door eene lange opklimning van tusschenleden samenhangen met den hoogsten

Sluiten