Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd als te bestaan in: i°. samenwerking met de periodieke pers; 2°. steun bij verkiezingen; 30. informatie en organisatie. Waarnaast als de werkzaamheid naar buiten genoemd werd: de vorming van eene gemeenschappelijke overtuiging op die punten, waarop ze nog niet bestaat, en het uitspreken der gemeenschappelijke overtuiging wanneer dat noodig is. Maar met nadruk verklaarde de toenmalige voorzitter, dat daarmede niet bedoeld was de vorming van een politiek program van de liberale party; zoodot zij die met zoodanig programma medegaan tot die partij blijven behooren, zij die het niet kunnen aanvaarden zich van haar hebben af te scheiden; als dit gevraagd wordt, dan is dit ons antwoord: De geheele liberale party is van éénen stam.

En men maakte zich de illusie, dat het mogelijk was over die vraagstukken die geen gemeen goed waren van alle liberale geestverwanten, waaitegenover ingevolge de vrijheid van overtuiging, die levensbeginsel van het liberalisme is, de gevoelens nog uiteen gaan, de verscheidenheid van streven te doen opgaan in éénheid van willen.

In de vergadering, van 12 Dec. 1885 werd omtrent die „éénheid van willen" een proef genomen, en men was daarmee niet al te ongelukkig. Omtrent de kiesbevoegdheid werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen dat art. 76 (later 80) der Grondwet noodzakelijk moest gewijzigd worden, en dat wel op dat oogenblik geen algemeen stemrecht behoorde te worden ingevoerd, maar dat het wenschelijk was over te gaan tot eene onbekrompen .uitbreiding der kiesbevoegdheid, ook in den werkmansstand, en /dat voor de toekomst de ruimste uitbreiding geleidelijk en op den grondslag der geschiktheid mogelijk moest worden gemaakt. Daarnaast werd verklaard, dat de Grondwet de hoofdbepalingen omtrent de kiesbevoegdheid moest bevatten. Eindelijk nog, dat het wenschelijk is de grenzen der kiesbevoegdheid niet door positieve eischen, maar alleen door uitsluiting van bepaalde categorieën van personen aan te geven.

In zake Onderwijs werd met groote meerderheid de uitspraak gedaan, dat de Grondwet de regeling van het Onderwijs niet

eheel aan den gewonen wetgever moet overlaten, en met iets kleinere meerderheid dat art. 194 van de Grondwet (later 192) onveranderd behoorde te worden gehandhaafd.

Sluiten