Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetsontwerp eene algemeene vergadering op 18 Mei 1889 en het Hoofdbestuur richtte eene motie tot de aangesloten afdeelingen, waarin praeadvies over dit ontwerp werd uitgebracht.

Het stelde zich op het standpunt, dat de Grondwet zelve het subsidieeren van bijzonder onderwijs noch verbiedt noch onmogelijk maakt, en al werd ten sterkste ontkend, dat door het ontwerp (zooals de toenmalige Regeering beweerde) aan een eisch van rechtsgelijkheid werd voldaan, het adviseerde op grond van billijkheid en ter wille van het algemeen belang en van het onderwijs het stelsel van subsidieering toe te geven. In 't algemeen belang; want inderdaad, het is meer dan tijd dat de onderwijsquaestie ophoude een struikelblok te zijn voor behoorlijke behartiging van vele gewichtige belangen, eene oorzaak van slechtepartijgroepeering' en van onnatuurlijke partijverbindingen. Terwille van het onderwijs: want het onderwijs zelf lijdt onder den hardnekkig gevoerden strijd.

De Liberale Unie zal zich moeten verzetten tegen die bepalingen in het ontwerp, welke het gehalte van het openbaar onderwijs verzwakken en er voor moeten waken dat voldoende waarborgen gegeven worden voor het gehalte van het gesubsidieerd bijzonder onderwijs.

Men kan deze circulaire zonder overdrijving een gewichtig moment noemen in den schoolstrijd. Als pendant tegenover het ' beruchte „Dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden" wijst het op eene belangrijke kentering in de meening van vele liberalen. Van een zwak opportunisme geboren uit het besef dat men in de „minderheid" was in de Tweede Kamer, kon reeds daarom geen sprake zijn, omdat de Eerste Kamer nog altijd overwegend liberaal was, en de aantijging van „de Standaard" dat deze circulaire eene verkiezingsmanoeuvre was, daar ze kort ver-' scheen vóór de Provinciale stembus van 1889, kan slechts aanleiding geven tot herhaling van het bekende spreekwoord over den waard en zijne gasten.

Hier had men te doen men de voorloopers van die liberale leden der Eerste Kamer, die weldra het ontwerp-MACKAY in behouden haven zouden helpen brengen.

Met 63 tegen 9 stemmen nam de vergadering van 18 Mei 1889 de volgende motie aan: „De vergadering, zich vereenigende met de strekking - van het advies van het bestuur, spreekt als haar oordeel uit, dat de liberale partij zich niet verzette tegen het

Sluiten