Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens lid van het H.B. der Liberale Unie mocht wezen was al lang afgeschaft). Tegelijk met den Hr. borgesius namen tengevolge van de periodieke aftreding en niet-herkiesbaarheid der leden zitting: Mr. P. RlNK, Mr. M. Tvdeman en Mr. A. C. visser. Voorzitter was in dat jaar Mr. E. E. van raalte.

In dat jaar werd door eene verlaging der contributie van 25 op 10 cents per lid de toetreding tot het lidmaatschap der Liberale Unie mogelijk gemaakt voor die vele kiesvereenigingen wier middelen niet toelieten de tot nu toe gevorderde bijdrage in de kas der vereeniging te storten.

Ondertusschen ging de Heer TAK van poortvliet aan het werk, en zijne Kieswet zou de eerste openlijke scheuring in de „Unie" veroorzaken.

In de Troonrede van 15 Sept. 1891 had de Regeering onder meer verklaard: „de indiening van een wetsontwerp tot regeling van het kiesrecht, deze noodzakelijke voorwaarde van blijvende verbetering, wordt voorbereid" en reeds op 20 Sept. 1892 werd de nieuwe kieswet bij de Staten-Generaal aanhangig gemaakt.

Het Hoofdbestuur van de Liberale Unie beriep op Zaterdag 26 Nov. 1892 eene algemeene vergadering tot bespreking van de ingediende voorstellen en liet de oproeping van eene nota vergezeld gaan, waarin het, zich tot de hoofdpunten der voorgestelde hervorming bepalende, als zijn oordeel uitsprak, dat de kenteekenen van geschiktheid en welstand (lezen en schrijven en het voorzien in eigen onderhoud en in dat van het huisgezin) in het ontwerp volkomen tot hun recht kwamen, en dat hier geboden werd wat de L. U. in haar verkiezingsmanifest van 1891 had gevraagd. Het stelde eindelijk als motie voor:

„De Algemeene Vergadering der Liberale Unie, haar instemming betuigende met strekking en slotsom van het praeadvies van het Bestuur, spreekt den wensch uit: dat de aanhangige wetsontwerpen tot regeling van de kiesbevoegdheid en van de uitoefening van het kiesrecht voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Provinciale Staten, alsmede tot regeling van de benoeming en van de aftreding der afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal in hoofdzaak ongewijzigd tot wet verheven worden".

Deze motie werd met 17 tegen 2 stemmen aangenomen. Edoch, dit alles leek mooier dan het eigenlijk was. Enkele kiesvereenigingen, waaronder „de Grondwet" te Amsterdam, nog wel eene

Sluiten