Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bus had inderdaad het getal geestverwanten van de L. U. in de nieuwe Kamer grooter gemaakt dan in de oude, maar, en dat dient niet vergeten, Mr. E. fokker, die als president van de L. U. op 6 Nov. 1897 de algemeene vergadering opende, moest zelf erkennen, dat een kabinet, uitsluitend bestaande uit geestverwanten van de L. U., met 'i oog op den uitslag der verkiezingen, nu deze niet de meerderheid in de Tweede Kamer hebben, niet te verwachten was. Toch werd in dezelfde rede er op gewezen, dat de leden der Unie, die zoo vaak het bezielend woord van hun bestuurslid Borgesius hadden vernomen, met name ten aanzien van de volkshuisvesting en het armwezen terecht vol vertrouwen de toegezegde ontwerpen van wet van den minister borgesius zouden tegemoet zien. En in de vergadering van Zaterdag 1 Juli 1899 wees de toenmalige voorzitter Prof. Molengraaff er op, dat met voldoening kon worden vermeld, dat de Regeering niet in gebreke is gebleven verscheidene door u als urgent beschouwde middelen aanhangig te maken. Maar daartegenover werd geklaagd over het angstvallig karakter van het wetsontwerp tot regeling van arbeidsen rusttijden in fabrieken en werkplaatsen, en over het feit dat aan het arbeidscontract niet de daaraan toekomende plaats was toegekend. In diezelfde vergadering werd door het bestuur medegedeeld dat het eene commissie had benoemd om Rapport uitte brengen over „Verplichte Verzekering van Loontrekkenden" tegen de gevolgen van Invaliditeit en Ouderdom" l) en daarvan gezegd: „Aldus voorgelicht zult gij met kennis van zaken kunnen aanwijzen wat de plicht is der vrijzinnige democratie tegenover dit vraagstuk. Bij de slappe houding der Regeering is het meer dan ooit gewenscht het standpunt der Liberale Unie dezer zake te omschrijven en uwe zienswijze duidelijk uit te spreken". Eindelijk klonk het uit den mond van den voorzitter, dat waar men nu uit ervaring het onbevredigende van de kieswet-van houten had leeren kennen, men zou hebben te beslissen wat de L. U. zou hebben te doen om eene behoorlijke regeling van het Kiesrecht te verkrijgen, daar van dit kabinet geene bevredigende oplossing is te verwachten.

Indien wij ons ten doel stelden critiek te leveren zouden wij hier de vraag stellen, of het toch niet wat veel gevergd was van het kabinet dat ons den Persoonlijken Dienstplicht, de Ongevallenwet, de Leer-

') Die Commissie bestond uit de H.H. Mr. E. Fokker, Mr. J. Kruseman, Prof. Mr. W. L. P. A. Molengraaff en J. W. C. Tellegen.

Sluiten