Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al hebben ook, — wie zou het niet begrijpen, — sindsdien de vlugrollende jaren weer op onderdeelen de inzichten tot nadere ontwikkeling gebracht, het Hervormingsprogram van 1910 heeft nog thans de waarde van een grondplan behouden, zoowel met de Beginselverklaring: „de harmonische en geleidelijke ontwikkeling van het zedelijk, geestelijk en stoffelijk welvaren van het geheele volk in alle leden en groepen, naar het principe der vrijheid", als met de verschillende politieke hoofdstukken.

In 1915 is daaraan een Gemeenteprogram toegevoegd geworden, waarmede een leiddraad werd gegeven voor de vooruitstrevende liberale gemeentepolitiek, zooals de Unie die van hare leden in de gemeenteraden verwacht. Ook in dit gemeenteprogram vindt men terug de „zorg voor de verhooging der algemeene welvaart, door ontwikkeling van handel, nijverheid en verkeer binnen den kring der gemeente", en daarnevens gemeentelijke bemoeiing met de volksgezondheid, volkshuisvesting, armwezen en werkloosheid. Progressieve, directe belastingpolitiek wordt aanbevolen naast gemeentelijke exploitatie van bedrijven, die een monopolistisch karakter dragen, zonder dat het maken van winst daarbij op den voorgrond mag staan. En uitteraard vervullen ook hier de paragrafen van schoolwezen en volksontwikkeling (geestelijke en lichamelijke) een belangrijke plaats.

De gelegenheid, om de politieke hoofdpunten van haar Hervormingsprogram tot verwezenlijking te brengen, zou de Unie eindelijk bij de verkiezingen van 1913 krijgen. De zin tot samenwerking van alle vrijzinnigen, in den Uniekring steeds volgehouden, begon ook in de beide andere groepen weer meer en meer als noodzakelijkheid gevoeld te worden. Het spreekt vanzelf, dat de Unie hierop steeds was blijven wijzen. Zij toch mocht (en mag) zich nog de belichaming rekenen der vrijzinnige eenheid, — in tegenstelling met de „afgescheidenen". Onder deze omstandigheden stond de partij na de malaise der verkiezingen van 1909 als de levende aanmaning, om in het vrijzinnige huis te zoeken naar wat vereenigt en niet naar wat scheidt. En zij bezat dit streven nog als het ware verpersoonlijkt in de figuur van haren voorzitter, Mr. GOEMAN BORGESIUS, die eigenlijk nimmer opgehouden heeft, ervoor te getuigen. Reeds in de Algemeene Vergadering van 4 Juni 1910 maande hij in zijne openingsrede daartoe nogmaals aan: „dat dit door verschillende fractie's en partijen van de linkerzijde te veel uit het oog is verloren, daaraan schrijf ik het voornamelijk

Sluiten