Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

De toekomst der noordelijke staten.

1. Onzijdigheid.

1°. Den I,,en Augustus 1914 verklaarde onze toenmalige regeering: „Naar aanleiding van den tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië uitgebroken oorlog hebben wij besloten, dat van de zijde van Noorwegen gedurende den oorlog volkomen onzijdigheid zal worden betracht".

Later, den 4de" Augustus, werd deze verklaring aangevuld door een tweede: dat de onzijdigheid in acht genomen zou worden gedurende den tusschen vreemde mogendheden bestaanden oorlog. Verklaringen van denzelfden aard werden afgekondigd door de overige noordelijke staten: Denemarken, Nederland en Zweden. — En in aansluiting hierbij werden de burgers dezer staten aangemaand zich als onzijdigen te gedragen.

Deze overeenstemming in de verklaringen is begrijpelijk. Zij staat in verband met de in het Noorden algemeen heerschende meening: dat het lot van één der noordelijke volken van beslissende beteekenis voor dat der overige zal kunnen worden; dat de onzijdigheid voor hen allen van gelijken duur zal zijn en gelijktijdig zou moeten ophouden doch dat in ieder geval de ondergang van een der staten van het Noorden het begin zou zijn van den ondergang der overige.

Ten slotte werd den 88ten Augustus 1914 medegedeeld: de beide regeeringen (van Noorwegen en Zweden) hebben elkaar wederzijds bindende verzekeringen gegeven met het doel de mogelijkheid uit te sluiten, dat door den oorlogstoestand in Europa een dezer staten vijandelijke maatregelen zou nemen tegenover den anderen.

Een aantal gewichtige vragen doen zich voor naar aanleiding van den wereldoorlog, vragen van even groote beteekenis voor ieder van de noordelijke staten. Het zijn vragen betreffende de rechten en plichten als onzijdigen, en de grenzen van recht en plicht der onzijdigheid; de Deugd bestaat in beperking, ook van deugden. Men blijve niet onzijdig daar, waar men moet handelen, maar evenmin late men de onzijdigheid varen, daar, waar men verplicht is die te handhaven. Want onzijdig kan men slechts ten opzichte van de zaken van anderen zijn, niet ten opzichte van eigen belangen. Derhalve kan men het niet in rechtsvragen zijn. Want de vraag van „Recht" is de persoonlijke aangelegenheid van eiken mensch, evengoed als de vraag naar „Waarheid" dit is. Zoowel onzijdige staten als burgers hebben kleur te bekennen ten aanzien van het recht. Algemeene rechtsgedachten bepalen

1) Deze meening is ook verkondigd door Rektor Morgenstierne in een te Kopenhagen in April 1917 gehouden redevoering en door President Mowinckel in een opstel s. m.

Sluiten