Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

letten op het laatste punt: zijn politiek zóó leiden, dat zij niet voert naar een afhankelijkheidsverhouding van den een of anderen staat, die het overheerschen kan. IpfPI

En wanneer het een politiek voert, die tot op zekere hoogte zou kunnen leiden tot afhankelijkheid, moet het zich van te voren ver¬

zekeren tegen dat gevaar door zich krachten of machtsfactoren te verschaffen, die bedoelde mogelijkheid neutraliseeren: het moet tegenover de voorwaarden van een groote mogendheid de zijne kunnen stellen.

Het is vóór alles de plicht van een onzijdigen staat zulk een politiek te voeren. Het is de plicht van hen, die de verantwoordelijkheid voor de levensbelangen van hun volk op zich hebben genomen. Het zou belangwekkend zijn de gedragslijn van eenige onzijdige staten gedurende dezen oorlog vanuit dit elementaire gezichtspunt van politieke nauwgezetheid te bezien.

3°. Om andere staten afhankelijk van zich te maken en daardoor haar macht te vergrooten, plegen groote mogendheden gaarne haar „bescherming" aan te bieden. Gedurende dezen oorlog heeft in het bijzonder één groep van mogendheden ijverig getracht de stemmen der kleine staten in de wereldpolitiek voor zich te winnen. Dadelijk bij het uitbreken van den oorlog bood Engeland, zelf of door middel

van zijn bondgenooten, aan de drie staten van den tweeden rang, België, Nederland en Noorwegen in het Noorden, en aan Servië, Montenegro en Griekenland in het Zuiden, zijn bijzondere bescherming aan. Dit vriendelijk aanbod werd tioor de drie laatstgenoemde staten en België met dank aanvaard. Gelukkig werd het niet aangenomen door Noorwegen en Nederland, ofschoon men bleef trachten hun gunst te winnen. Maar de verhouding tusschen de kleine staten en de groote is thans gewijzigd. Voor de evenwichtsverhouding tusschen de machtsgroepen beteekent een staat van den tweeden rang nu meer dan ooit te voren. De beide partijen zijn genoodzaakt rekening met ons te houden. Ja, op het oogenblik vreest elke groote mogendheid ons meer dan wij haar hebben te vreezen. Daarom hebben wij ook gelegenheid vrijer dan ooit op te treden. De toestand is niet van dien aard, dat wij ons meer inbreuk op ons recht dan in vredestijd behoeven te laten welgevallen, zooals de groote mogendheden ons wel zouden willen doen gelooven, en wat velen onder ons ook werkelijk schijnen te meenen. Onze politici hebben ons doen begrijpen, welke hooge kunst het is om stijfhoofdig door de onzijdigen „ik pas" te laten zeggen bij het oorlogsspel. Minder heeft men ons verteld van de tamelijk sterke troeven, die wij in de hand hebben en ook van de wijze, waarop deze troeven gebruikt worden. Maar er is eene oude gelijkenis, die zegt, dat de talenten weer worden afgenomen van hem, die ze niet gebruikt.

De noordelijke staten zien zich thans tot aan de sluiting van den vrede in staat zich te ontwikkelen tot een macht, die elk politiek, economisch of administratief despotisme kan afschudden. Er bestaat voor ons thans minder reden dan ooit ons als vazallen te laten behandelen. Dat is voor ons een prikkel ons door organisatie te versterken binnen nieuwe stellingen. Wanneer staten van den tweeden rang het

Sluiten