Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeluk hadden al te kleine mannen aan de regeering te hebben, zochten zij gaarne bescherming tegen gevaren in het vertrouwen op de een of andere groote mogendheid en overigens op God. Nu helpt echter God slechts hem, die zich zeiven helpt. En wat de groote mogendheden betreft, de ondervinding van dezen oorlog heeft wel duidelijk genoeg geleerd, dat de macht tot beschermen het middel om te onderdrukken wordt.

3. Openbare meening en welwillende onzijdigheid.

1°. „Het is een erkende plicht voer onzijdige staten de maatregelen, dié zij nemen, onpartijdig toe te passen tegenover beide oorlogvoerende partijen". (Haagsche overeenkomst 1907, No. XIII der Inleiding).

Maar dit komt niet overeen met de belangen der oorlogvoerenden. Elk hunner zal daarom geneigd zijn de onzijdigen in het nakomen hunner plichten tegenover de andere partij te belemmeren en zal trachten hen er toe te brengen zijn eigen oorlogsplannen te dienen. En om dit doel te bereiken, trachten zij door te dringen tot de beweegredenen voor de politieke houding der onzijdigen.

De menschelijke handelingen kunnen op drie wijzen geleid worden: 1°. mechanisch, zooals b.v. door gewoonte en suggestie; 2°. door neiging of 3°. door overtuiging. Naar deze gezichtspunten kan men ieder volk in drie groepen verdeelen: de groote menigte, die voornamelijk mechanisch handelt; eene tweede gfoep, die naar haar neiging handelt; en een kleine minderheid, die naar haar overtuiging handelt. Ja, de handelingen van iederen enkelen mensch kunnen in dezelfde drie groepen verdeeld worden. Het onderscheid tusschen de menschen berust op de grootte van deze groepen. — De som van de drie beweegredenen voor de handelingen noemt men bij den enkeling zijn wilsleven, bij een volk zijn meening.

2°. Wanneer de oorlogvoerende er zich van wil verzekeren, dat de onzijdigen naar zijn wensch handelen, komt het er voor hem vooral op aan, de juiste middelen te vinden om zijn invloed te doen gelden. Deze middelen kunnen zijn: geweld, indirecte pressie of lokmiddelen, en zij kunnen elk op zichzelf of tezamen worden aangewend. Maar zij hebben verschillende waarde. Zij moeten met takt toegepast worden. Op het eene gebied kan geweld, op het andere druk, op een derde kunnen lokmiddelen gebruikt worden. Het kan gewaagd zijn op een gegeven oogenblik een verkeerd middel aan te wenden. Het kan, om het doel te bereiken, den eenen keer noodzakelijk zijn de onzijdigen op een overweldigende, niets ontziende manier tot onderwerping te dwingen, en bij een andere gelegenheid, de rollen om te keeren en den onzijdige met buitengewone zorg voor zijn welzijn te behandelen.

Hierin ligt een zelfstandige, gecompliceerde en veelzijdige politieke kunst, die hier niet uitvoerig kan worden uiteengezet. Alleen het voornaamste punt worde hier vermeld: de politicus zal beproeven het sterkste belang van den onzijdige in het gevlij te komen en hem zoo nauw mogelijk aan zich te binden om zeker van hem te zijn. En

Sluiten