Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meewerken om hun gevoelens le bepalen. Een knap politicus zal daarom vóór alles de groep No. 2 trachten te winnen. Want deze beheerscht overal de pers en kan daardoor de groote menigte bewerken en die de opvattingen voorhouden, die zij wil, en zich dan beroepen op een heerschende meening... naar haar eigen wenschen. Daarentegen is het vrijwel hopeloos de houding van een volk te willen bepalen door zijn overtuiging te leiden. Dat dit moeilijk uitvoerbaar is, heeft een oud parlementslid in deze woorden te kennen gegeven: „Ik heb veel redevoeringen aangehoord, die de overtuiging der volksvertegenwoordigers gewijzigd hebben, maar geen, die hen anders hebben doen stemmen." De houding en de handeling van een volk wordt door zijn meening bepaald, deze door zijn gevoelens, en deze weder hetzij op suggestieve wijze, hetzij door practische doeleinden; nauwelijks bij één procent door overtuiging. Ja, er is zeer zeker tegenwoordig een drang bij het publiek een meening te hebben, maar minder drang er een overtuiging op na te houden. De gemiddelde mensch zal zelfs met nadruk elke overtuiging van zich afwijzen, die tegen zijne practische belangen ingaat.

Daarentegen is het natuurlijk, van politiek standpunt gezien, van belang de idealiteit in dienst te kunnen stellen, zelfs van eigenbelang. Vooral daar, waar het om leven en dood voor een mensch gaat, zooals in den oorlog, komen de gevoelens, die het nauwst met de idealen samenhangen, bij ieder boven. Het komt er dus voor hem, die steun van anderen wil verwerven, op aan, zijn zaak onder het licht der hoogste ideeën te stellen. Hoe hooger de ideeën, des te grooter is de kans. Des te grooter risico is er echter ook, dat de persoon in kwestie een bedrieger is of ten minste zich zelf bedriegt. De rechtspsycholoog weet, dat de menschen handelen om feitelijke redenen, niet om theoretische, om concrete, niet om abstracte, om hun eigen — misschien volkomen rechtmatige — belangen, niet om die d«s Hemels, der menschheid enz., of in het algemeen om die van anderen. Maar, hoe hooger idealen zijn, des te abstracter zijn ze ook, en derhalve is er dan tevens des te grooter waarschijnlijkheid, dat men onwaarheid spreekt om meening te winnen. Het volk daarentegen is naïef en vol vertrouwen. En de meening heeft haar vaste burcht in het volk. Maar de meening kan beslissende macht hebben; „de stem van het volk is de stem van God!" Zij kan er toe bijdragen, ook zelfs een Jezus Christus te kruisigen.

Waar de ééne partij beweert te handelen op grond van eigen, rechtmatige belangen, de andere daarentegen ter wille van onbaatzuchtige idealen, daar is het zeer waarschijnlijk, dat de eerste de waarheid spreekt, de tweede niet, en dat de eerste de menigte tégen zich, de andere de menigte vóór zich heeft.

De oorlogvoerenden hebben dus drie voorname middelen om de meening der onzijdigen te veroveren: 1°. suggestie, 2°. practische belangengemeenschap en 3°. idealen, die de overtuiging vangen en aan de idealiteit der onzijdigen beantwoorden. Men meene niet, dat een oorlogvoerende deze middelen koelbloedig aanwendt in het bewustzijn,

Sluiten