Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7°. Het is overbodig hier te zeggen, welke partij de onzijdigen meedoogenloozer in den dienst harer oorlogsplannen getrokken heeft: die van 25 of die van 4 staten.

4. Vrijheid en despotisme.

a. De gemeenschappelijke belangen der noordelijke volken.

1°. De noordelijke volken huldigen alle het beginsel van democratie en nemen stelling tegenover het despotisme. Dit beginsel houdt in, dat de enkeling het recht moet hebben te strijden voor zijn eigen behoeften, voor zijn beroep, zijn individualiteit, zijn idealen, en niet om aan de behoeften van anderen te voldoen en om de idealen van anderen te verwezenlijken. Hij moet de hoogere belangen van andeten niet schaden ter wille van zijn eigen lagerstaande — dat is altijd immoreel en tegen het recht in. Maar hij moet evenmin dulden, dat anderen zijn hoogere belangen schaden ter wille van hun lagerstaande. Dat is evenzoo immoreel en strijdig met het recht. Hij moet zijn gelijkwaardige belangen naast die van anderen stellen en daarvoor opkomen. En door deze belangen slaan de noordelijke volken tegenover de mogendheden, die de macht vertegenwoordigen, — in de binnenlandsche en in de buitenlandsche politiek.

Door de politieke ontwikkeling zijn langzamerhand binnen de grenzen van bijna alle staten der wereld en in de verhouding tusschen de staten onderling, de vrijheidsideeën rechtsgeldig geworden. Het Duitsche rijk voerde het eerst, reeds bij zijn oprichting, het algemeen stemrecht in. Later werd een meer of minder vrije constitutie in bijna alle staten der wereld ingevoerd, in Japan, Perzië, Turkije, zelfs in China. Er is slechts één uitzondering: Engeland, en tot voor korten tijd Rusland, dat haar overigens in den vorm van „diktatuur" weder heeft ingevoerd. Engeland vertegenwoordigt in het keizerrijk Indië het grootste staatsdespotisme der wereld met 300 millioen onderdanen.

2°. Ook in de verhouding tusschen de staten onderling heeft zich een zeker vrijheidsbeginsel ontwikkeld. Wat voor de burgers binnen de grenzen van een staat geldt, geldt hier voor de staten zelve. Op het vasteland heeft dit vrijheidsbeginsel in de onderlinge verhouding der staten „de democratische idee", den naam gekregen van het evenwichtsbeginsel. Het komt hierop neer, dat geen enkele macht tot zulk een kracht mag groeien, dat zij tegenover de andere met despotieken wil kan optreden. Geen staat moet bevoegd zijn, andere staten naar zijn behoeften te dwingen; zij moeten het recht hebben zich naar hun eigen behoeften in te richten. Alle staten moeten in beginsel gelijkgesteld zijn, en de groote mogendheden moeten elkander in toom kunnen houden. Willen rechtsbeginselen tusschen hen onderling geldigheid verkrijgen, dan moeten zij door wederzijdsche besprekingen tot stand komen, evenals de wetten in, eiken staat, — niet op bevel van één staat. Dit is dan ook gebruik en geldend recht geworden tusschen de staten van het vasteland voor hun onderlinge verhouding te land.

Sluiten