Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, die door liefde aan elkander verbonden zijn, zooals ouders, kinderen, echtgenooten of broeders en zusters. In steeds wijder kring, steeds minder krachtig, spreiden die gevoelens zich uit naar bloedverwanten, vrienden, buren, standgenooten, — totdat zij ten opzichte van andere volken in hun tegendeel omgeslagen zijn: in vijandschap tegenover den tegenstander. Op de eigen erven wordt de verhouding tusschen de nabestaanden bepaald door de zedeleer; in de maatschappij wordt de verhouding door het gevóel tegenover den vijand bepaald. Tegenover hem heeft men geen plicht, maar slechts eischen, en wel eischen, die men zoover kan uitstrekken als men begeerte en macht heeft. De zedelijke gevoelens hebben plaats gemaakt voor roofdiergevoelens. Tusschen de staten worden ze buitenlandsche staatkunde geheeten. Is een staat in het bezit van iets, dat voor een anderen staat waarde heeft, .dan komt het er niet op aan, wie recht op dat bezit heeft. Het is slechts de vraag, hoeveel waarde heeft dat bezit voor mij, d. i. wat zal ik er bij winnen, en wat zal ik er bij verliezen, als ik het mij verschaf. De menschenlevens, die hiermee verloren gaan in den staat, die beoorloogd wordt, worden niet meegeteld als verlies, zoomin als de menschenlevens in den staat, die op verovering uitgaat. Geld daarentegen wel. En als bewijs voor dezen gedachtegang kan aangehaald worden, wat de „Daily News" omstreeks den 5de" Juni 1916 met betrekking tot Kitchener mededeelt. In Indië moest werk in de mijnen worden verricht, en de bevelvoerende officier seinde aan Kitchener: „Ik betreur te moeten mededeelen, dat 12 arbeiders door een dynamietontploffing gedood zijn". Hij kreeg het volgende antwoord: „Hebt gij dus meer dynamiet noodig"? — Een ander voorbeeld: Na den RussischJapanschen oorlog sprak een bekende Noor in een gesprek met een hooggeplaatst Russisch staatsman zijn leedwezen uit over het groote verlies aan menschenlevens onder de Russen en kreeg ten antwoord : „ach! menschen hebben wij genoeg, het geldverlies is erger". — Een derde voorbeeld voor deze opvatting levert de houding van Sir Edward Grey en van de Engelsche regeering in het jaar 1914. De Duitsche regeering had, gelijk bekend is, Engeland verzocht zich onzijdig te houden, voor het geval Rusland tegen Duitschland ten oorlog zou trekken, en aangeboden, dat het in dit geval België onaangeroerd zou laten en geen aanspraak zou maken op eenig gebied van Frankrijk noch van Fransche koloniën. (Engelsch blauwboek 122).

Daar Sir Edward Grey dit voorstel van de hand wees, verzocht de Duitsche regeering Sir Edward Grey zelf de voorwaarden op te geven voor de onzijdigheid van Engeland. Ook dit weigerde Sir Edward Grey, maar zoowel de Duitsche uitnoodiging als zijn weigering verzweeg hij voor het Parlement; daarentegen voerde hij in het Parlement de volgende reden voor de noodzakelijkheid van Engeland's ingrijpen aan: „Wij zullen," zeide hij, „zeker onder een oorlog tusschen de andere mogendheden zeer te lijden hebben,\en wanneer wij er buiten blijven nauwelijks meer dan indien wij mededoen." Dat zegt hij, en met dat verschrikkelijk lijden, dat ook een onzijdig Engeland zou treffen, werd niet bedoeld, dat Engeland zich genoodzaakt zag

Sluiten