Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

De positie van het Noorden ten opzichte van de beide groepen van mogendheden.

1°. De noordelijke landen wenschten in vreedzame verhouding met alle mogendheden te leven. Er bestaan gemeenschappelijke tegenstellingen tusschen hen en verschillende andere staten even goed als gelijkheid tusschen hen onderling. Maar het grondbeginsel van hun buitenlandsche politiek is dit geweest: dat geen staat het recht heeft zich te mengen in de binnenlandsche aangelegenheden van een anderen. Men heeft het als een taak beschouwd in andere landen te werken voor een godsdienstig internationalisme, men heeft de zending ingesteld. Maar men heeft zich niet ingelaten met juridische of politieke zending. In dit opzicht is het socialisme en in het bijzonder het Duitsche socialisme een der eerste pogingen. En zelfs dit is een zaak aan particulier initiatief overgelaten, het is geen staatswerkzaamheid. De volkenrechtelijke conferentiën kunnen hier eigenlijk niet meetellen: zij hadden tot taak de verhouding tusschen de staten, en niet juridische of politieke beginselen binnen de grenzen der staten te regelen. De politieke invloeden van de Hervorming en de Revoluties hebben zich. toevallig verspreid, van zelf, zij waren niet beraamd door een staat. Het deelnemen van Zweden aan den dertig-jarigen oorlog moet als een uitzondering beschouwd worden.

Krachtens deze fundamenteele beschouwing van het vraagstuk heeft het Noorsche Storting tweemaal, in de jaren 1891 en 1897, adressen aangenomen, die beoogden de regeering van andere staten te verzoeken wederzijdsche geschillen in juridischen vorm te beslechten, en het heeft Nobel's opdracht aanvaard om een kapitaal te beheeren ter bevordering van het volgende volkenrechtelijk doel: een regeling van het wereldrecht te maken als basis voor een wereldvrede.

Dit doel is intusschen niet bereikt. En het is een open vraag, of het bereikt zal worden, en wanneer. De redenen, die den droom van het „duizendjarig rijk" van een wereldvrede ook thans zoo onzeker maken, zijn niet alleen deze: dat de thans woedende oorlog den haat heeft vermeerderd en in de gemoederen der natiën van Europa wraakzucht zal doen ontstaan. Er zijn hier twee voorname moeilijkheden. De eene is de staatsrechtelijke en privaatrechtelijke; zoolang sterke meeningsverschillen in de opvattingen van rechts- en cultuurvragen op het gebied van de binnenlandsche politiek in de staten zelf voorhanden zijn, zullen tusschen de staten onderling krachtige scheidsmuren blijven bestaan, nog krachtiger dan taal, ligging, godsdienst, ras en geschiedenis; zoo b.v. door de verhouding van andere staten tot Rusland, Engeland-Indië; en door de uitsluitings-

Sluiten