Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Boye, bladz. 67—77). Het feit, dat andere mogendheden niet gaarne zagen, dat de kleine noordelijke staten zich tegen hen beveiligden door een onderling verbond, was dus het beslissend beletsel. Een ander maal bevatte het verbond te weinig verplichtingen. Zoo b.v. het verbond met Holland in het jaar 1780. Het was gericht op gezamenlijke verdediging tegen iederen vijand, doch slechts in uitzonderingsgevallen. Daardoor werd het voor andere mogendheden, die een sterk Noorden niet wenschten, gemakkelijk de noordelijke staten verdeeld en verzwakt te houden. Zoo b.v. voor Engeland in 1780 tegenover Holland, in 1801 tegenover Denemarken. Evenzoo voor Rusland. Toen dat in 1788 in oorlog geraakte met Zweden, preste het Denemarken-Noorwegen er toe Zweden aan te vallen „tot schade van het noorden en tot nut van vreemden" (Drolsum bladz. 47). Nog erger gevolgen had de Russische staatkunde in het jaar 1808: „Zooals gewoonlijk moesten Noorwegen en Zweden, op Russisch bevel, Zweden in den rug aanvallen, terwijl het op leven en dood met de Russen streed, die Finland evenzoo verraderlijk hadden overvallen, als de Engelschen Kopenhagen" (Drolsum bladz. 48). „Als een blind werktuig in de hand van een baatzuchtig en trouweloos bondgenoot had de Deensch-Noorsche staat na het verlies van zijn vloot er in hooge mate toe bijgedragen Rusland's voorwaartsdringen in Finland te vergemakkelijken, zoodat Zweden dat in het jaar 1809 moest afstaan." (Zelfde schrijver bladz. 52). Het gebeurde zelfs, dat twee groote mogendheden — Engeland en Rusland — een afspraak maakten om te beletten, dat de kleine noordelijke staten hun directe of indirecte rechten als onzijdigen beveiligden. Dat gebeurde in het jaar 1792, toen de beide genoemde mogendheden „in naam der beschaving" overeenkwamen allen aanvoer en handel naar Frankrijk te verhinderen. Want in dien tijd hadden ze het op Frankrijk voorzien.

Het zijn dus de belangen van andere mogendheden, die den doorslag gaven, waar het onze belangen gold.

Wel hebben zich hier in het noorden nu en dan stemmen doen hooren voor een nadere aaneensluiting onder de leus van „broederlijke" gevoelens tusschen de drie volken, welke men vooral met studentikose gemoedelijkheid verkondigd heeft bij gelegenheid van feestelijke bijeenkomsten. Maar zij vormden een te zwakken grondslag voor een aaneensluiting, die door knappe en koele politici en geoefende diplomaten wordt tegengewerkt. Men kan slechts bouwen op historische ervaringen en op een . wil, die zich zijn doel bewust is.

7°. De geschiedenis heeft ons geleerd, dat verschillende groote mogendheden vroeger geen verbond tusschen de kleine staten van het noorden wenschten. Er zijn kenteekenen, die er op wijzen, dat dit nog steeds zoo is. Het spreekt ook van zelf. Een sterke macht kan weerwraak oefenen tegen krenkingen, een zwakke laat voor den goeden gang van zaken misschien een protest hooren, en — steekt de krenkingen in den zak. Het is derhalve geen wonder, dat een groote mogendheid er zoo bijzonder op uit was als beschermer der kleine staten op te treden. Ik verwijs daarvoor b.v. naar Engeland's aanbod

Sluiten