Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwkeuriger met psychologische wetten rekening houdt dan de Engelsche. Er bestaan zelfs authentieke uitspraken van hooggeplaatste personen in Engeland, waaruit men ziet, dat zijn politiek er inderdaad naar heeft gestreefd de onzijdige staten te beletten zich aaneen te sluiten om hun rechten te waarborgen. Blijkens Morgenbladet van 6 Juli 1917 No. 333 heeft Lord Lansdowne in het Hoogerhuis op Woensdag den 4den Juli gezegd: „Hij wist wel, dat velen geloofden, dat de Regeering geneigd was al te toegevend voor de onzijdigen te zijn. Hij zou het niet betreuren, als zij zich daarin vergisten. In het vroegste stadium van den oorlog had er geen grooter ongeluk kunnen gebeuren, dan dat men de onzijdigen er toe gedreven had gemeenschappelijk tegen de geallieerden op te treden. Er waren oogenblikken geweest, dat men een aaneensluiting der onzijdigen op handen achtte. Nu had Amerika zich weliswaar bij de geallieerden aangesloten, maar dit zou misschien niet gebeurd zijn, indien men in het begin-zijn gevoelens door onoordeelkundig optreden had gekrenkt. Lansdowne's redevoering wordt herhaaldelijk door bijvalsbetuigingen onderbroken. Dus: nadat Amerika zich bij de geallieerden heeft aangesloten, en Engeland den aanvoer uit Amerika naar de onzijdige staten als pressiemiddel kon aanwenden, behoefde het niet langer veel complimenten te maken. Gelijk bekend is, heeft het dit ook niet langer gedaan. Het heeft niet gedraald de onzijdigen door de wapenen en door uithongeren, of in ieder geval door het laatste, in den dienst van zijn oorlog tegen de centralen te drijven. Hier interesseert ons intusschen vooral het feit, dat de Engelsche regeering in de aangehaalde uitingen heeft verraden, dat zij een aaneensluiting van de neutralen gevreesd heeft, dat zij getracht heeft die aaneensluiting te voorkomen, en dat zij zich thans door het deelnemen van Amerika daartegen beveiligd acht.

Een ander voorbeeld van de andere zijde: bij de ministerconferentie in Christiania in den herfst van 1916 bleek een grooter solidariteit van de belangen der noordelijke staten dan men ooit vroeger had gezien. Het belangrijke Russische blad „Ruskoja Slova" maakte toen een telegram openbaar, naar het heette van zijn Amsterdamschen correspondent, waarin werd medegedeeld, dat het voornaamste onderwerp der beraadslagingen de neutraliteitsvraag was geweest, dat echter niet alle Scandinavische staten de zaak op dezelfde wijze opvatten. Zweden zou van de beide andere staten krachtiger maatregelen tot beveiliging van hun onzijdigheid geëischt hebben. Dit zou door Noorwegen en Denemarken geweigerd zijn; zij wilden het aan ieder land afzonderlijk overgelaten zien, den aard van zijn onzijdigheid te bepalen. Maar hun onpartijdigheid (in tegenstelling tot de Zweedsche) zou hun beste bescherming zijn. De beide landen wenschten, van den anderen kant, dat Zweden zijn activistischen vorm van onzijdigheid zou opgeven en zich solidair met hen zou gedragen. Verder zou Zweden, op aandringen van Duitschland, een conferentie van vertegenwoordigers van alle onzijdige staten hebben gewenscht. Noorwegen en Denemarken kantten zich tegen dit

Sluiten