Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is in den oorlog strafbaar onder den naam van plundering, evenals in vredestijd. Helaas echter is het niet mogelijk geweest dit ook door te voeren voor eigendom ter zee. Als een waar in een pakhuis of op een kade ligt, heeft een vijandelijke troepenmacht geen recht die aan te raken; zich die toe te eigenen is een misdaad, die volgens strenge wetten gestraft wordt. Als zij echter in een schip ligt aan dezelfde kade, dan heeft de vijandelijke troep het zeeoorlogsrecht — kan hij zich de waar in het schip toeëigenen. Geen algemeen verdrag verbiedt dat.

Het is duidelijk, dat onder zulke rechtsverhoudingen hij, die ter zee machtig genoeg is, in de verleiding komt, oorlog te beginnen om zich de aan een andere mogendheid toebehoorende waren en koopvaardijschepen toe te eigenen, en dat hij er op bedacht zal zijn den oorlog te beginnen, vóórdat die betrokken mogendheid een zóó sterke oorlogsvloot bezit, dat zij de koopvaardijvloot beschermen kan en den aanval kan afslaan. — Verschillende mogendheden hebben er op aangedrongen ook voor den oorlog ter zee rechtsbeginselen, die voor den oorlog te land gelden, in te voeren, nl. dat particulier eigendom ter zee evengoed geëerbiedigd zou worden als te land. Hierin stond Pruisen vooraan, maar Engeland heeft even sterk het beginsel bestreden en zich gekant tegen elk streven om ook ter zee een volkenrecht te ontwikkelen. Zoo hebben Pruisen en de Vereenigde Staten reeds in 1885 een verdrag gesloten, inhoudende, dat in een oorlog tusschen hen koopvaardijschepen en goederen vrij zouden zijn, ja zelfs contrabande vergoed zou worden. Deze overeenkomst werd door Frederik II zelf uitgewerkt. Zij is later door vele andere staten als voorbeeld genomen en zou waarschijnlijk door alle andere aangenomen zijn, als Engeland zich niet er tegen verzet had. Dit heeft gemaakt, dat eenige andere staten het onnoodig hebben gevonden zich te binden aan een recht, dat in een grooten zeeoorlog, waaraan men kon voorzien, dat Engeland, de grootste zeemacht, zou deelnemen, zonder beteekenis moest blijven. — Pruisen, en later Duitschland, heeft voor het volkenrechtelijke vrijheidsbeginsel strijd gevoerd met behulp van zijn rechtswetenschap en door middel van diplomatieke voorstellen. Het heeft krachtig doen uitkomen, welke verlokking tot den oorlog er gelegen is in het feit, dat particulier eigendom op zee buitgemaakt kan worden. In 1823 deed ook de president der Vereenigde Staten Monroe het voorstel tot onschendbaarheid van particulier eigendom. — Te vergeefs! Engeland verhinderde het.

Op initiatief van Pruisen deed de president der Vereenigde Staten Franklin Pierce in 1854 het voorstel, dat Amerika de onschendbaarheid van particulier eigendom ter zee zou erkennen, indien de staten van Europa dit ook deden. Eindelijk, in 1856 bij de conventie van Parijs, deed Engeland een paar concessies: de onzijdige vlag zou vijandelijk goed, met uitzondering van contrabande, dekken en de kaperij zou afgeschaft worden. Het voorstel werd ingediend door den zoon van Napoleon, den graaf Valewsky. Het wekte hevige verontwaardiging in Engeland, toen het bekend werd, dat de Engelsche regeering op het voorstel was ingegaan. Het zou Engeland's kracht ter zee zeer

Sluiten