Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duitschland wees elk voorstel af, dat de alleenheerschappij moest bestendigen, die het staatsrechtelijk despotisme in het oosten en het volkenrechtelijk despotisme in het westen zich met zoo weinig mogelijk kosten wenschten te verzekeren. Maar het stelde zelf rechtsregelingen voor, die tegen dat despotisme beveiligen zouden en bood zelfs aan zijn bewapening te beperken, voor^ het geval deze rechtsregeling werd aangenomen.

4°. Deze weigeringen van de zijde van Engeland werden gewichtige factoren voor den wereldoorlog. Het was duidelijk, dat de Duitsche koopvaardijvloot, die de tweede der wereldwas, als zij niet beschermd kon worden door eenige rechtsbepaling, beschermd moest worden door macht. De grootste zeemogendheid had geweigerd rechtsbescherming voor haar te erkennen. Het moest dus in de bedoeling liggen macht tegen haar te gebruiken. Zelfs niet de oprichting van een onafhankelijk internationaal gerechtshof, zooals alle andere staten dat wenschten, wilde Engeland erkennen. Het wilde zijn macht en zijn oordeel stellen in.de plaats van een algemeen rechtsonderzoek, in tegenspraak met het grondbeginsel, dat niemand rechter in zijn eigen zaak kan zijn. — Toen begon Duitschland met ernst den aanbouw van zijn vloot, om aan zijn burgers en zijn bezit de bescherming te verschaffen, die hun door het recht werden geweigerd. Toen Engeland dit zag, ging het over tot het plan van een oorlog tegen Duitschland, vóórdat de Duitsche vloot zoo sterk geworden zou zijn, dat zij krachtigen tegenstand zou kunnen bieden, en hitste Rusland tot den oorlog op in 1908—1909, Frankrijk in 1911, de twee te zamen in 1914.

5°. Niemand zou het vóór den oorlog voor mogelijk gehouden hebben, dat Engeland ten "opzichte van het volkenrecht een standpunt zou kunnen innemen, zooals het nu gedurende den wereldoorlog doet. Zoo kort mogefijk zullen de hoofdpunten van zijn rechtsbreuk worden aangestipt. Het weigerde de ratificatie van de Londensche verklaring van 1909. Maar deze bevatte naar het eenstemmig gevoelen van alle vertegenwoordjgers, ook van de Engelsche,— eigenlijk slechts bepalingen, die men kon beschouwen als het geldende zeeoorlogsrecht. In den aanvang van den oorlog verklaarde Engeland dan ook, dat het zich wat de hoofdpunten betreft, aan de verklaring zou houden. Daarna heeft het zich op dezelfde punten noch aan de verklaring noch aan de bepalingen betreffende het zeeoorlogsrecht, die op de Haagsche Conventie in 1907 aangenomen waren, gehouden. — De rechtsschendingen zijn begaan tegen zijn vijanden en tegen onzijdigen.

Tegen de centrale mogendheden heeft Groot-Britannië het volkenrechtsbeginsel geschonden, dat de oorlog tegen de krijgsmacht van den vijand, niet tegen zijn vreedzame bevolking, gevoerd moet worden, een beginsel, dat bij de Parijsche conventie van 1856 aangenomen en in de Peterburgsche conventie van 1868 uitgesproken was, en verder ontwikkeld is in een reeks bepalingen der Haagsche conventie. Het heeft met zijn uithongeringsoorlog juist het tegenovergestelde gedaan; het heeft getracht de krijgsmacht te treffen door middel van de vreed-

Sluiten