Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in beslag genomen worden, zelfs al waren zij voor den vijand bestemd, als zij öf in onzijdige havens gelost öf geen contrabande waren. Dit recht der centrale mogendheden om levensmiddelen te krijgen en dat van de onzijdigen om hiermede handel te drijven, weigerde Engeland te erkennen.

Toen kwam de afsluiting der Noordzee den 2den November 1914, waardoor Engeland aan onzijdige schepen verbood tusschen hun landen heen en weer te varen, zonder dat zij eerst in Engeland kwamen om onderzocht te worden. Tot dit doel legde het overal tusschen Schotland en IJsland mijnen en dreigde bovendien onzijdige schepen in den grond te boren, als ze niet gehoorzaamden. Maar zij gehoorzaamden. Den lsten en llden Maart 1915 vaardigde het zijn beruchte „order in council" uit, waarbij het aan geen onzijdig schip veroorloofd was na den lsten Maart 1915 naar of uit een haven der centrale mogendheden te varen, onverschillig welke goederen het aan boord had; en iedere lading in schepen, die naar of uit andere havens dan die der centrale mogendheden voeren, moest, zoo zij 'voor Engeland's tegenstanders bestemd was, in Engeland gelost en verkocht of daar geconfisqueerd worden, van welken aard zij ook mocht zijn. Dit is zoo duidelijk mogelijk schending van de conventie van Parijs van 1856, die door Engeland mede goedgekeurd is.

Het is het recht van den oorlogvoerende om dat gedeelte van zijn leven, dat met den oorlog niets te maken heeft, met behulp van de onzijdigen voort te zetten; het is de plicht der onzijdigen niet deel te nemen aan den strijd tegen den oorlogvoerende door hem in dat leven te bemoeilijken: die zijn beide door Engeland niet erkend. Met recht hebben daarom de drie noordelijke staten in gelijkluidende nota's aan de beide partijen op den 13den November 1914 naar aanleiding van de afsluiting der Noordzee verklaard, dat „zij niet alleen verhinderd worden hun rechten uit te oefenen, maar zelfs hun plichten als onzijdigen te vervullen." Maar de Engelsche maatregel richtte zich niet alleen rechtstreeks tegen den vijand; die had ten doel, het verbruik der onzijdige landen na te gaan, om ze te kunnen „rantsoeneeren" en zoo ten allen tijde een druk op hen te kunnen uitoefenen en hen voor de belangen van Engeland te winnen. (Overzicht van het Ministerie van buitenlandsche zaken 1916, bladz. 23—24; Noorsch protest van 5 November 1914 en 13 November 1914; Engelsche „order in council" van 11 Maart 1915; brief van het Britsche gezantschap te Athene van 1 Dec. 1915, gepubliceerd in de „Nordd. Allg. Ztg" van 6 Januari 1917 en de redevoering van den Engelschen blokkademinister Cecil den 30 Januari 1917).

De Engelsche afsluiting gold zelfs voor schepen, die tusschen twee gedeelten van hetzelfde rijk het verkeer onderhouden, zooals tusschen Denemarken en IJsland of tusschen Nederland en zijn koloniën. Den 18den April 1916 verklaarde Engeland, dat het onzijdige schepen in het algemeen — bij hun eigen verkeer — niet veroorloofd was Duitsche steenkolen te gebruiken : een inbreuk op de rechten der onzijdigen, die toen zeker in de geschiedenis nog niet voorgekomen was, maar

Sluiten