Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwoest .den akkerbouw om de velden te gebruiken als jachtgebied, 78°/o der bevolking woont b.v. in de steden; jachtterreinen zijn geen geschikte woonplaats voor menschen. En de Engelschman volgt dezelfde beginselen daar, waar hij zich vestigt. In Britsche koloniën en „invloedssferen" wordt de bevolking uitgebuit, waarvan de berichten over Putumayo (1904—05;, Egypte, Indië, Ierland en andere de treurigste bewijzen leveren. Het staathuishoudkundig beginsel, dat het kapitaal steeds een voorsprong op den arbeid heeft, volgens de geldende rechtsstelsels, wordt door de Engelsche politiek grondig begrepen en gebruikt om een sluier te werpen over hun onmenschelijke handelingen: Ja ook in Engeland zelf, in zijn fabriekssteden, heersclit een nood, die een vreeselijke aanklacht is tegen de bestaande tirannie, die zoo in strijd is met alle menschelijke rechten. Als wereldkapitalist heeft de Engelsche maatschappij den aardbol omspannen naar het standpunt, dat alleen dat, wat het meest inbrengt, goed genoeg is voor haar kapitaal ; en zij ontvangt rentewinst van het opium, in China, den brandewijnhandel in Noorwegen, de theeaanplantingen in lndië, de caoutchoucbosschen in Peru, de katoenmarkten in Egypte, de goudmijnen in Afrika, de Noorsche walvischvangst in de zuidelijke IJszee, den export van afgodsbeelden naar Azië, de bordeelen in Zuid-Amerika, enz. volgens een stelsel, dat overal uitgaat van den grondregel: Engelsch kapitaal, werk of lasten van anderen. Met tegenzin heeft Engeland ongevallen- en arbeidersverzekering moeten invoeren, nadat de Duitsche rijksdag op initiatief van Bismarck in 1881 deze nieuwe humanitaire gedachten in de wetgeving en rechtsorde had verwezenlijkt tegen de vroeger heerschende formalistische rechtsopvatting in. Steunend op het Duitsche voorbeeld, eischten de Engelsche arbeiders gelijksoortige bescherming. Maar het arbeidsloon was vóór den oorlog in Engeland lager dan in Duitschland. En tot de verwijten, die Engelsche nijverheids- en handelskringen tegen Duitschland hadden, behoorde ook dit, dat het Duitsche arbeidsloon zóó/hoog was, dat het de eischen van den Engelschen arbeidersstand verscherpte, dat dit weder berustte op den Duitschen handelsomzet, en dat Engeland derhalve de markten van Duitschland moest veroveren om de arbeidsloonen van Duitschland te drukken, zoodat de Engelsche nijverheid de .loonen niet behoefde te verhoogen.

Een dergelijke kapitalistische positie als Engeland neemt, gelijk bekend is, ook Frankrijk in. Men leze b.v. „La guerre qui vient" van den Fran, schen schrijver Francis Delaisi in 1911 uitgekomen, waarin o.a. wordt ver' meld, dat een Fransch, een Engelsch en een Turksch financier in 1911 op het punt waren Europa in oorlog te brengen om daarvan te profiteeren.

De geheele buitengewoon omvangrijke strijdvraag tusschen kapitaal en arbeid, renteniers en belastingbetalers is dus niet langer een internpolitieke vraag, maar een vraag van de buitenlandsche politiek; een internationale vraag, verscherpt door de verhouding van eiken staat met Engeland — en met Frankrijk — als de beide grootste kapitaalen renteniersstaten, de bitterste vijanden van gelijkmatiger verdeeling van de wereldsche goederen. Die vraag geldt ook voor Noorwegen.

Sluiten