Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlog, i) Om goederen van onze transportschepen te halen, moet vergunning gevraagd worden aan het Engelsche gezantschap of aan de Engelsche consulaten. Ja goederen, die reeds van Amerika in het land zijn gekomen, worden, voordat het schip ze waagt te lossen, van hier naar Engeland gezonden om daar door de Engelsche overheden gecontroleerd te worden. Onze regeering moet aan het „Foreign Trade Department, Foreign Office" te Londen opgave doen van onzen invoer, om graan, meel, koffie, petroleum enz., die in Amerika, niet in Engeland, gekocht zijn, uitgeleverd te kunnen krijgen. Om deze Engelsche controle te steunen, schenkt ons land gastvrijheid aan honderden handelsspionnen. Te Christiania alleen zijn er meer dan honderd.

Onze tusschenhandel met Duitschland was vóór den oorlog bijna even groot als die met Engeland. Hij is gedaald tot een nietig gedeelte daarvan.

5°. Zoowel over onzen buitenlandschen als over onzen binnenlandschen handel heerschen de Engelsche „black lists''. Geen land kan het op den duur zonder invoer stellen. In Denemarken, Nederland en Zwitserland zijn centrale lichamen gevormd, die er Engeland borg voor staan, dat de ingevoerde goederen niet in handen komen van een van Engeland's vijanden. In Noorwegen is het zóó geregeld, dat de gemeenschappelijke vereenigingen van de verschillende bedrijven er voor instaan en de goederen verdeelen volgens bijzondere overeenkomsten, „branche-overeenkomsten" geheeten.

De gezamenlijke invoer van Noorwegen — of van andere onzijdige landen —wordt dus naar Engeland gebracht. Vandaar worden de goederen slechts langzamerhand naar believen van Engeland vrijgegeven. „Het stelsel komt hier op neer: Engeland raamt globaal den voorraad van een bepaald artikel in het onzijdige land en beoordeelt daarnaar, in hoeverre het land dat artikel noodig heeft, of dat dus ingehouden moet worden of niet" („Overzicht" van het ministerie van buitenlandsche zaken 1916, bladz. 24). Hiermede kan echter niet geheel volstaan worden. Zeker wordt er niet meer vrijgegeven dan Engeland strikt noodzakelijk acht voor de behoefte van den onzijdige, opdat Engeland „ten allen tijde een druk op den onzijdige" zou kunnen uitoefenen. Maar bovendien heeft Engeland daarvoor nog andere gewichtige redenen. Ten eerste deze: dat het zelf aanvoer krijgt door den onzijdigen „doorvoer". Dit is nog van grooter beteekenis voor Engeland dan voor Duitschland. Maar uit dezen afgepersten „doorvoer" heeft Engeland bovendien de keus. Is een artikel goedkoop ingekocht, of is het van bijzonder goede hoedanigheid, of is er kans, dat het in prijs zal stijgen, kortom indien het voor Engeland het een of ander economisch voordeel oplevert om het nog wat aan te zien, dan behoudt het de waar. Een voorwendsel kan altijd gevonden worden. Niemand heeft nog ooit gezien, dat Engeland er geen vinden kon, als het er een noodig had. Als de

1) Rolf Thommessen : „Norsk Utenrikspolitik" bladz. 48 zegt, dat de uitvoer, die na het verbod van den 18 Augustus 1916 geoorloofd was, ongeveer gelijk was aan dien in normale tijden 'naar Duitschland). Dit is een grove onjuistheid. Thomm. spreekt overigens, alsof het verbod alleen visch betrof.

Sluiten