Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet Denemarken zelf, maar Pruisen de grens mocht bepalen, kwam natuurlijk niet met zijn wenschen overeen, maar dat kan moeilijk een zooi diepen wrok over die rechts'schennis rechtvaardigen. En wat het Pru sische bestuur aangaat, dit is zeker niet altijd aangenaam geweest. Maar in vergelijking met de behandeling, die de Italianen in Frankrijk, de Ieren en de Finnen in hun land ondervinden, is het Pruisische bestuur zacht geweest. Aan de honderdduizenden Italianen in Nizza wordt niet vergund een Italiaansche courant uit te geven, in Noord-Sleeswijk komen vier Deensche bladen uit, in Elzas-Lotharingen worden Fransche couranten gedrukt. De eigenaardigheid van de Pruisen steeds op hun hoede te zijn voor beleedigingen, getuige de nog steeds bestaande studenfenduels, heeft ook in Noord-Sleeswijk tot pijnlijke botsingen aanleiding gegeven. Maar misschien heeft men aan den Deenschen kant een weinig te veel gedacht aan „lijden en dulden" — en heeft men zich verongelijkt beschouwd — in plaats van te trachten het uit het groote gezichtspunt van de wereldpolitiek te bezien. Er is in de psychologie van de meeste menschen en de volken een zekere drang om zich zelf aan te zien als persoon in een tragedie. Men krijgt onwillekeurig dezen indruk ook bij de houding van Denemarken tegenover Sleeswijk. En als ons publiek overigens zijn aandacht zoo veel ruimer schenkt aan Sleeswijk, dan aan Ierland, Finland, Savoye, de Oostzeeprovinciën en de landen van vele andere volken, dan is dit te danken aan de uitgebreide Deensche literatuur er over — de buitengewone litterarische aanleg van het Deensche volk heeft zich natuurlijk niet verloochend, waar het een zoo voor de hand liggend onderwerp gold, — en aan de nauwe verbinding, waarin de Scandinavische volken tot elkander hebben gestaan en nog staan.

Intusschen is het een misverstand te gelooven, dat de Sleeswijkers er naar smachten met Denemarken te worden vereenigd. Zoekt men zulk een stemming bij hen, dan zal men in elk geval lang te vergeefs zoeken. Een volksstemming kort vóór den oorlog zou zeker, naar de verklaring van Sleeswijkers zeiven, het Duitsche staatsbestuur over zoo goed als geheel Sleeswijk gehandhaafd hebben. Men behoort commercieel tot Hamburg evenals geografisch tot Duitschland. Een persoonlijk pathos bestaat er nog, waarbij men den blik zuchtend naar het noorden richt, men is echter al te „gezond aangelegd" om dat in onpractische regelingen om te willen zetten. Over de vraag Denemarken-Pruisen verwijs ik verder naar Halfdan Koht's voortreffelijk werk.

2°. Er is echter een punt, dat in de opvatting en het oordeel over de Sleeswijksche vraag bij de verstandigste Denen geen romantisch, maar wel een reaalpolitiek gewicht in de schaal legt: Pruisen had met' Oostenrijk een verplichting aangegaan; § 5 van den vrede van Praag was een feit. Zij had den juridischen vorm van een „reflexwerking" voor Denemarken, maar het was een belofte, die gegeven was met het oog op Denemarken. Zij werd niet gehouden. Dit heeft Denemarken beroofd van zijn gevoel van eigenwaarde en van het vertrouwen in Pruisen. Het heeft het gevoel gekregen, dat Pruisen het wilde behandelen volgens zijn politieke belangen. Het is tot op zekere hoogte het

Sluiten