Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

Krachten, die Inwerken op de wereldpolitiek.

Maatschappijen worden gevormd, bestaan en worden opgelost volgens wetten. Dat gezinnen uit elkander gaan, zien wij aan als iets verkeerds, de opheffing der slavernij houden wij voor iets goeds. Wij beoordeelen dus de omstandigheden des levens naar een zekeren maatstaf. En wij moeten ons duidelijk maken, welken maatstaf wij gebruiken, welke krachten bewerken, dat wij iets goed, en welke, dat wij iets kwaad vinden.

Eerst door de wijsbegeerte en den godsdienst is de gedachte ontstaan, dat alle menschen één zijn. De religieuze voorstelling b.v., dat allen „Gods kinderen" zijn, is universeel en vermindert de tegenstellingen tusschen hen. — Tegenwoordig heeft een groote gedachte de menschheid vereenigd. Een ontzettende gedachte voorwaar: die van den dood, van de vernieling. 9/10 der menschheid trachten y10 uit te roeien. Maar die gedachte heeft toch gelijke gevoelens opgewekt, primitieve en sterke gevoelens. Als de oude Grieksche wijsgeer gelijk heeft, dat strijd de vader van alle dingen is, dan zou het denkbaar zijn, dat de eerste oorlog, die de menschheid vereenigde, naar de wet der tegenstellingen voor haar den vrede zou kunnen inleiden. — Van juridisch en politiek standpunt kan men aannemen, wat reeds Protogoras verkondigd heeft: dat de mensch de maatstaf van alle dingen is. Daarmede wordt niet alleen het leven van den enkelen mensch bedoeld, doch de menschelijke aard, gelijk die zich ontvouwt in het verlangen en in de idealen van den enkeling en door de meest volkomen nersnnniüHnerion ho+ h^f

i wordt verwezenlijkt.

2°. Om te beschermen wat voor hen waarde heeft, trachten te individuen zich aaneen te sluiten, en hem, die een „vijand" daarvan is, of althans als vijand wordt beschouwd, sluiten zij uit. Niet steeds met recht. De menigte kan eenstemmig eischen, dat een Jezus Christus gekruisigd wordt. — Deze vereeniging en scheiding heeft niet alleen onder de individuen plaats. Zij begint in het gemoed van den enkeling als een strijd tusschen het gevoel voor iets, dat als goed, en het gevoel voor iets, dat als slecht beschouwd wordt. Het goede gevoel eischt de macht over de andere. Maar er zijn nauwelijks twee menschen, die het er volkomen over eens zijn, wat goed en wat slecht is; ja een mensch heeft ternauwernood zelf geheel dezelfde meening over goed en slecht zijn gansche leven lang. Een proef voor onze wijze van waardeering hebben wij hierin: of ze ons tevredenstelt. Maar zeker is die proef niet. De menschen worden bedrogen en bedriegen zichzelven. &

Sluiten