Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbereid om de meening der wereld in politiek opzicht te beïnvloeden.

7°. De mogelijkheid een zekere meening te doen ontstaan, wordt echter eenigszins beperkt door den maatstaf van elk volk, — vóór alles door de zucht tot zelfbehoud, wat, uit een politiek oogpunt beschouwd, meestal zijn bedrijfsbelangen zal beteekenen. Aan den anderen kant heeft de politicus daarmee macht over het volk. Nog steeds zijn elementaire behoeften, als „panem et circenses" de teugel, waaraan de wereldpolitieke ruiter menschelijke ezels in scharen kan leiden. Het komt er dus voor den politicus op aan invloed op de bedrijfsbelangen van het publiek te krijgen, zoodat de voorstellingen van zijn dagelijksch brood en de voorstelling van die politieke macht zich bij hem vereenigen tot wat de psychologen een „onoplosbare associatie" noemen. — Volgens dezelfde psychologische wet wordt het gewone equivalent voor bedrijfswaarde: het geld, zelf een waarde op gelijke hoogte staande als de bedrijfsmiddelen.

8°. Natiën gaan dus ten allen tijde bij hun handelingen uit van datgene wat noodzakelijk is, of van hun drang. Maar de voorstelling van noodzakelijkheid is zelve zeer afwisselend en steeds onjuist. Er is geen noodzakelijkheid in de wereld, die bepaald is door uiterlijke voorwaarden. Zij wordt verward met moeilijkheid of berust op verbeelding. Geografisch bijeenbehooren, stam, ras, taal, de heiligheid van den godsdienst, de heiligheid van het nationaliteitsbeginsel, een politieke geloofsbelijdenis, middelen van bestaan, waaraan men men gewend is, dit alles heeft de rol van „noodzakelijkheid" gespeeld. De toestand is zóó, dat de voorstelling van een noodzakelijkheid ontstaat daar, waar een voorstelling van een uitweg uit een moeilijkheid ontbreekt, hetzij die ontbreekt, doordat men niet voldoende op de hoogte gebracht is, of omdat men niet genoeg verbeeldingskracht heeft om de ter beschikking staande middelen te gebruiken.

9°. Het blijkt dus, dat het een factor in de wereldpolitiek is, of een volk uiterlijke of innerlijke idealen bezit, — of de hoogste maatstaf van den enkeling bepaald wordt door den drang zich zeiven te kennen — volgens de woorden van het orakel — en den mensch te erkennen als den maatstaf van alle dingen, dan wel door iets uiterlijks, bijvoorbeeld geld, of het levensonderhoud zelf. Het beslissende hierbij is niet, of de enkeling het ideaal gevonden heeft, dat zijn verlangen, al naar zijn aanleg, hem voor oogen doet staan. Het beslissende is de richting van zijn streven. Is zijn streven gericht op het doel voor zich zelf van waarde te achten wat voor de menschelijke natuur van waarde is, dan zal dit hem volgens psychologische wetten er toe brengen uiterlijke voordeden te minachten en den uiterlijken dwang af te wijzen, die onvereenigbaar is met de wetten, die hij in zijn innerlijken drang, in zijn gemoed, heeft gevonden. En omgekeerd, als men uiterlijke waarden als 1 e v e n s d oei, niet als meer of minder onverschillige middelen tot ontplooiing van de menschelijke natuur nastreeft, dan zal de voorstellingsreeks, waaraan men gewend is, de gedachtengang, waarin men zich heeft geoefend, de richting, waarin de gevoelens zijn voorbereid, den wil van den enkeling, van het volk, van de menschheid tot vrijheid of tot „noodzakelijkheid" leiden. Waar

Sluiten