Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man neemt de „splendid isolation" van zijn eiland met zich mede.

De Engelschman ziet in de geheele wereld naar uiterlijke waarde uit, voor alles naar goud en land. Engeland bezit 3/é van de goudmijnen der aarde. Het is nog niet verder gekomen dan tot x/4 van de oppervlakte der aarde, wat intusschen reeds zeer voldoende is; maar beide kunnen zij nog toenemen. En hierop is de aandacht der Engelschen voortdurend gericht. Zij vestigen zich waar het, wat dat betreft, goed is te zijn, en blijven er. Onder verschillende vormen eigenen zij zich toe, wat waard is te vervoeren, — vooral als „beschermers". Maar overal en ten opzichte van allen koesteren de Engelschen een diepe minachting voor de „foreigners". In het land, waaraan een Engelschman de eer bewijst van zijn bezoek, zijn de burgers daarvan de „foreigners", terwijl de Engelschman „at home" is. Toen een hier in Noorwegen met een Noorsche vrouw gehuwd Engelschman zijn minachting voor de „vreemden" hier uitsprak en hem onder het oog werd gebracht, dat hij hier eigenlijk de vreemdeling was, antwoordde hij: „An Englishman is nowhere a foreigner". Door dit zelfbewustzijn en deze verachting van anderen is de Engelschman bovenmate onwetend. De Engelsche minister van buitenlandsche zaken, Sir Edward Grey, die het Engelsche rijk in den wereldoorlog bracht, kent b.v. geen andere taal dan Engelsch en was tot aan den oorlog nooit in het buitenland geweest, behalve voor een kort uitstapje naar Parijs. Lloyd George kan niet eens Duitsch lezen. Als de kennis van het een of ander geen practische beteekenis heeft, is het den Engelschman onverschillig. Andere menschen zijn hem in beginsel slechts middel, hij zelf het doel. Het evangelie van den eigenbaat is in theorie nergens consequenter verkondigd — zooals door Hobbes, Adam Smith, Ricardo e. a. — in de practijk meer als van zelf sprekend toegepast dan in Engeland. Een dieper ingaan op de waarde van het menschelijke, van het aan het individu vreemde, van hetalgemeen-menschelijkeligtbuiten den Engelschen gedachtengang. Er is niemand, die zich tegen zijn naaste met meer ijzige onverschilligheid kan pantseren dan de Engelschman. Hij heeft noch belangstelling voor geestesleven in het algemeen noch voor de bijzondere vormen daarvan bij andere volken. Hij is geen theoreticus, evenmin een „prinzipienreiter". Het is een onwaarheid, dat Engelsche staatkunde en levensbeschouwing op vrijheid gericht zijn.

Ieder, die Engeland en andere Europeesche landen kent, weet, dat geen Europeesch volk onoverkomelijker klasseverschillen, grooter standshoogmoed, sterker jonkerdom, krankzinniger rijkdom, of verschrikkelijker armoede vertoont. Ja, de strijd van den Engelschen adelstand voor zijn economisch despotisme heeft niet, zooals in andere landen, slechts gevolgen van internpolitieken en staatsrechterlijken aard. Gelijk boven is aangetoond, heeft het Engelsche Heerenhuis.zijn volstrekt veto kunnen uitspreken tegen den eisch der geheele wereld van de onschendbaarheid van particulieren eigendom ter zee, tegen een gemeenschappelijk prijsgerecht, zooals aangenomen was door de Haagsche overeenkomst No 12, een gemeenschappelijke regeling' ter zee, zooals was goedgekeurd bij de Londensche declaratie, enz.,

Sluiten