Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner onzijdigheid toe te laten. Er bestond dus geen juridische noodzakelijkheid voor België zich met de wapenen tegen dezen inmarsch te verzetten. België heeft dus gehandeld uit eigen belang.

3°. En toch zijn deze bepalingen in haar absoluten vorm, van het standpunt van het recht gezien, in beginsel onjuist. Geen tractaat kan de heirwegen van een land tot een grooter heiligdom maken dan het leven van het volk. Als dus zulk een beginsel tot juridischen regel wordt verhoogd, dan geschiedt daarmede een misdaad tegen de rangorde der menschelijke waarden, en de misdaad wordt met een aureool van recht omgeven. De wetten van het leven zijn heiliger dan de wetten van elk wetboek. „Nood breekt wet" beteekent, dat de nood nieuwe wetten voorschrijft, die moeten worden opgevolgd. Het is een onrecht de beslissende rechtsideeën in gedrukte wetten te zoeken. Het is een plicht slavernij onder alle vormen af te schudden en de hoogere waarden, die op het spel staan, te redden. Evenals het onrecht is „de mug uit te zuigen en den kemel door te zwelgen." Het zou een laffe regeering zijn, die haar volk liet te gronde gaan door een samenzwering, alleen om het verdrag over heirwegen na te komen. Maar nóg laffer zou het volk zijn, dat genoegen nam met zulk een „moraal" en een dergelijk „recht'.

4°. Laat ons de algemeene rechtsbepaling over noodweer beschouwen. De bepalingen, die wij zelf hebben, kunnen wij wat de voorname punten betreft, opvatten als internationaal. § 48 van ons wetboek van strafrecht zegt: „Niemand kan voor een handeling gestraft worden, die hij uit noodweer heeft verricht. Het is noodweer, als een anders strafbare handeling gepleegd wordt om een onwettigen aanval af te weren of zich daartegen te verdedigen, voorzoover de handeling niet verder gaat dan wat daartoe noodzakelijk was, en voorzoover het in verband met de gevaarlijkheid van den aanval, de schuld van den aanvaller of het aangevallen rechtsgoed, niet als bepaald ongepast moet worden beschouwd een zoo groot kwaad als met de handeling bedoeld te bedrijven". „Heeft iemand de grenzen van noodweer overschreden, dan is hij toch vrij van straf, als de overschrijding heeft plaats gehad alleen in een door den aanval teweeggebrachte gemoedsbeweging". — In de Haagsche conventie No. 4 over de wetten en gewoonten van] den oorlog te land, wordt in de inleiding verklaard, dat de'oorlogvoerenden worden beschermd, doordat zij onder de "beginselen van het volkenrecht worden gesteld, zooals deze door de vaste gewoonte onder beschaafde natiën gelden, door de wetten der menschelijkheid en door de eischen van het openbaar geweten." Zoowel de vaste gewoonten als de wetten der menschelijkheid en de eischen van het openbaar geweten handhaven het recht van noodweer als een onomstootelijk menschelijk recht. De rijkskanselier verklaarde in zijn rede van den 4den Augustus 1914, dat Duitschland zich in „noodweer" bevond, en dat het uit noodweer in België trok. „Wie zoo bedreigd is als wij en om zijn hoogste goed strijdt, kan slechts hieraan denken: hoe hij er zich doorheen zal slaan". — „Wij wisten, dat Frankrijk gereed stond tot een inval in België; zoo waren wij gedwongen ons niet aan het recht-

Sluiten