Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootsche in het optreden van den kanselier in deze kwestie niet hebben gezien, getuigt niet voor zijn beoordeelaars.

5°. Wij zullen thans de rechtsverhouding tot België nader onderzoeken. Stel, dat een nieuwe Aziatische volksverhuizing MiddenEuropa binnenstroomde, en dat de volkeren van centraal-Europa om een strategisch noodzakelijke positie te bereiken, voorloopig zouden moeten vluchten naar Fransch of Belgisch gebied. Frankrijk en België zouden dan van het standpunt der menschelijke cultuurplichten zonder twijfel gehouden zijn dit toe te laten, — tegen alle mogelijke overeenkomsten in. Zij zouden het zeker ook doen, als zij zelf in het gevaar zouden komen door een nederlaag van Duitschland. Maar hun moreele verplichting zou toch evengoed bestaan, als Duitschland alléén voor een nederlaag stond. Het is moreel, sociologisch en historisch onwaar te meenen, dat het eene volk zich niet heeft te bekommeren om het andere. Maar de verhouding is in beginsel ook niet anders, als er tusschen twee staten een rechtsstrijd is, waaruit een oorlog kan ontstaan. Zoowaar als er een mogelijkheid bestaat, dat een volk, dat den inmarsch wil doen, het recht aan zijn zijde heeft, zoowaar zal de onzijdige staat de verantwoordelijkheid er voor dragen, dat hij het recht tegenwerkt en het onrecht steunt door tegen dezen inmarsch naar de wapenen te grijpen; als een staat zich tegenover deze vraag onzijdig wenscht te houden, heeft hij niet het recht naar de wapenen te grijpen. Slechts in het geval, dat de „onzijdige" staat zelf partij heeft gekozen voor een der strijdenden, kan hij zijn leger laten oprukken, maar van dit oogenblik af strijdt hij dan ook niet als aangevallen „onzijdige", maar als zelfstandige vijand van hem, die den inmarsch deed. Hij kan dus niet langer verlangen als de onschuldig aangevallene te worden beschouwd. Hij valt daarentegen zelf de hoogste goederen aan van dengene, die den inmarsch doet, namelijk het leven van het volk en van hen, die hun leven wagen voor de plichten der menschheid. Ondanks § 10 der Haagsche conventie.

De openbare meening is op een dwaalspoor gebracht door den eindeloozen humbug, die over „België" gemaakt is. Het schijnt noodzakelijk de elementaire ethische en volkenrechtelijke waarheden in herinnering te brengen tegenover deze begripsverwarring en tegenover alle formeele rechtsdeclamaties en reëele rechtsverdraaiingen, waarmede wij nu sedert drie jaar worden overstroomd door lieden, die óf niet beter weten, óf uitstekend hebben verstaan de openbare meening te winnen voor hun oorlogsplannen, of sympathieën voor een wereldtragedie hebben moeten wekken i).

1) Iets anders is het, dat de onzijdige staat zijn heirwegen terug moet krijgen. Dit moet worden gewaarborgd. Een zekeren vorm voor de garantie zou men misschien hierin kunnen vinden, dat de staat, wiens heirwegen men wenscht te gebruiken, van zijn kant het recht kreeg een zeker gedeelte van het land van den inmarcheerende te bezetten, als waarborg voor de teruggave van zijn heirwegen. Vormen hiervoor zijn te vinden. Dat het land, dat zijn wegen te leen geeft, hetzelfde recht aan de andere partij moet geven en dezelfde zekerheid daar moet eischen, spreekt vanzelf. — Als wij dit op ons eigen land willen toepassen, is de positie in zoo verre helder, dat de eenige mogendheden, die een doormarsch bij ons konden verlangen, de geheele verantwoorde-

Sluiten