Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch geen sluipmoordenaars, die onder een onzijdig masker hun medemenschen vernietigen.

Er is dus geen middenweg. De duikbootoorlog is geworden tot wat de bijbel noemt een „steenrots der ergernis". Wij worden gedwongen haar te aanvaarden en de vraag van recht en onrecht te onderzoeken. Want dit gaat ons rechtstreeks aan. Wij moeten dus onze taak, ons recht, onzen menschelijken plicht, onze handelingen, die daarmede in verband staan, onderzoeken.

De menschelijke capaciteit is echter begrensd. Slechts weinigen kunnen een gedachte door meer dan twee è drie geledingen vasthouden, als die buiten onzen eigen kring van werkzaamheid valt. Daarom behoeft men er zich ook niet over te verwonderen, dat de woede over de bedreiging van de neutralen door den duikbootoorlog zich eerst richt tegen de gezagvoerders der duikbooten, daarna tegen het volk, dat deze gezagvoerders heeft uitgezonden, en daar blijft hangen. Het is echter een ervaring, die de meeste menschen opdoen, en vooral zij, die zich met rechtsvragen beziggehouden hebben, dat de waarheid en het recht niet te vinden zijn, als men niet teruggaat tot de bron der gebeurtenis. De woede en de straf moet men richten tegen hem, van wien de ergernis is uitgegaan.

2°. Een kort rechtshistorisch overzicht zal hier van nut kunnen zijn.

In 1792 stelde Frankrijk aan de andere mogendheden voor de kaperij af te schaffen om daardoor den vrijen handel veilig te stellen. Engeland wilde hierop niet ingaan.

' In 1793 sloten Engeland en Rusland een verdrag, om alle maatregelen te treffen, die hun ten dienste stonden, om den Franschen handel te vernietigen en om al hun krachten te vereenigen, om andere mogendheden, die onzijdig waren, te verhinderen handelsrelaties, hetzij direct of indirect, als gevolg van haar onzijdigheid met Frankrijk te onderhouden. In overeenstemming hiermede zonden de beide regeeringen nota's aan de onzijdige staten. Daardoor werd o. a. een verdrag van 4 Juni 1780 met Denemarken-Noorwegen buiten werking gesteld, krachtens hetwelk onze schepen het recht hadden ook naar de vijanden van Engeland datgene te vervoeren, wat hun kon dienen tot voeding en tot levensonderhoud.

Engeland en Rusland gingen tot deze bepaling over, omdat zij de beschaving als een algemeene zaak voor eiken beschaafden staat wilden gehandhaafd zien. De Franschen moesten daarom als zeeroovers en niet als oorlogvoerende mogendheid worden behandeld. Toch is het niet geheel uitgesloten, dat Engeland bijoogmerken had. Als de grootste slavenhandelaar en transporthandelaar der wereld had het er groot belang bij, den concurrent onschadelijk te maken, maar ook was het zijn belang, het streven van Frankrijk en van de onzijdige noordelijke staten om de kaperij te doen ophouden en zoo den vrijen handel veilig te stellen, te onderdrukken. Belangrijke dingen stonden voor Engeland op het spel. Gedurende honderd jaar, van 1680 tot 1780, dus kort voor het uitbreken van dien oorlog, bracht Engeland meer dan twee millioen slaven naar de Engelsche Antillen. Van Spanje had het voor een

Sluiten