Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvoor Engeland niet het recht heeft ons te plaatsen. Engeland kan den wensch hebben een vijandelijke natie uit te hongeren; maar het heeft niet het recht ons te gebruiken als middel voor dit doel."

4°. De beginselen, die aan deze beide nota's ten grondslag liggen hebben een dubbele beteekenis. Zij willen het recht doen uitkomen van een oorlogvoerende natie tegenover den vijand om behandeld te worden volgens de grondregelen der menschelijkheid, en zij willen tevens de positie der onzijdigen ten opzichte der oorlogvoerenden zoowel vanwege de neutralen als vanwege de belligerenten zuiver stelleh. Deze beide rechtsgedachten steunen op de opvatting, dat de menschheid de maatstaf is, en dat derhalve ook iedere natie op zichzelf een aandeel aan haar heiligheid heeft, en wel cultuurnatiën meer dan andere. Geen natie op zichzelf heeft het recht zich als de „eenige" te doen gelden. De oorlog wordt door dit doel begrensd. De oorlog mag niet worden „zelfdoel". De oorlog is een middel voor den groei van het leven. De oorlog mag niet als sport worden beschouwd. Op het oogenblik, dat het menscheneten ophield, verviel de voornaamste oorzaak tot den oorlog. Wanneer de mensch de maatstaf is, mag de oorlog niet zoo worden gevoerd, dat de menschelijkheid gevaar loopt geheel uit het oog te worden verloren. Het individu kan worden opgeofferd en kan het ook als een roeping gevoelen zich op te offeren voor zijn volk of voor de zaak; maar het moet gaan om Iets en niet om Niets. Het welzijn van het volk en van de menschheid zal in den regel het zuivere ideaal zijn van ieder mensch. De oorlog mag niet een zelfmoord der menschheid worden. Dat verbieden ons de sterkste instincten van moraal en recht. Het kan dus nooit een rechtmatige handeling worden een ander volk uit te roeien. Het recht moet immers juist de menschheid beschermen. Maar elke aanval op een deel der menschheid treft deze zelve en ten slotte daardoor het recht zelf. En het recht kan toch niet zijn 'eigen opheffing eischen. Dat zou een tegenstrijdigheid zijn. De aarde is groot genoeg om ons allen te kunnen voeden; de een kan naar het oosten, de ander naar het westen trekken. Hierbij komt ook het gevoel, waarmede iedereen instemmen zal: dat de aanval niet gericht mag worden tegen weerlooze vrouwen en kinderen. Men moet teruggaan tot de tijden der wilden, over welke de geschiedenis haar sluier heeft geworpen, om dit gevoel niet erkend te vinden.

Dit is de grondgedachte van het volkenrecht, en, indien men hiervan uitgaat is het een hoofdgedachte binnen de grenzen van het volkenrecht 'dat oorlogen moeten worden gevoerd tegen de krijgsmachten van den vijand, niet tegen de tot den strijd onbekwame bevolking en niet tegen het vreedzame volk. Een natie mag niet vernietigd worden, omdat zij in vijandelijke verhouding tot een andere is gekomen.

Een van de eersten, die dit beginsel heeft opgesteld, is, voorzoover bekend is de Noorsche koning Sverre geweest. Later ïs het theoretisch verkondigd door den Duitschen rechtsphilosoof Althusius en daarna door Hugo Grotius. Zich hierbij aansluitende, nam Gustaaf Adolf dit beginsel aan als oorlogsregel. Sedert dien tijd is het geldend volkenrecht voor de oorlogen van het vasteland van Europa

Sluiten