Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest, en het is zoo goed als zonder uitzondering in praktijk gebracht.

Dit beginsel van de heiligheid der menschelijkheid is bij verdrag tot uiting gekomen in de St. Petersburgsche declaratie van 1868, waarvan punt 2 zegt: „Het eenige wettige doel van de oorlogvoerende staten mag zijn de m i 1 i t a i r e k r a c h t e n van den vijand te verzwakken " Verder wordt er gezegd: „Het is voldoende voor dit doel het grootst mogelijk aantal individuen ongeschikt voor den strijd te maken." Ja zelfs niet de krijgsmacht van den vijand mag worden gedood, als het te vermijden is. Moordende projectielen mogen niet worden gebezigd ; het is voldoende, als men de strijdenden ongeschikt maakt voor den krijg. Gevangenen te dooden is moord. De gewonden moeten verpleegd worden. Volgens de conventie van Genève moet men trachten, het leven van alle gewonden te redden. Dit beginsel van 1868 is bij de Haagsche conventie van 1907 op verschillende plaatsen hernieuwd, b.v. in de inleiding, waar gezegd wordt, dat de beschaafde natiën vereenigd zijn door de solidariteit der menschelijkheid. De aanspraken der menschebjkheid moeten dus vóór de eischen van den oorlog gaan. Punt 4 bepaalt, dat de bevolking en de oorlogvoerenden onder bescherming moeten worden gesteld van de principes van het volkenrecht, zooals deze zijn vastgesteld door gewoonten, de wetten der menschelijkheid en de eischen van het openbaar geweten. Deze beginselen zijn verder uitgewerkt in bepalingen over de regels van de wijze van oorlogvoeren en van de verhouding tot de onzijdigen. Zij hebben alle ten doel vast te stellen, wat men mag en wat men niet mag doen.

Afzonderlijk wordt uiteengezet, welke strijdmiddelen de oorlogvoerenden mogen gebruiken en welke niet.

Uit al deze bepalingen vloeit voort, dat de oorlog niet het volk mag aantasten. Want als een natie kan worden aangetast in haar levenskracht, dan is het moeilijk te zeggen, wat eigenlijk het openbaar geweten, de wetten der menschelijkheid en de gewoonte van het volkenrecht nog moeten beschermen. Het beginsel staat verder in het algemeen uitgedrukt in de bepaling, dat de oorlogvoerenden niet het recht hebben elk middel te bezigen om den vijand te schaden (reglement No. 22). Het is echter onmogelijk zijn vijand meer te schaden dan door zijn vreedzaam volk te treffen. Het doel van den strijd der krijgsmacht is het volk te beschermen. De krijgsmacht is middel, het volk daarentegen doel. Dit beginsel is verder door een reeks van verbodsbepalingen bevestigd. Men mag niet de particuliere rechten van den vijand aantasten, b.v. zijn kustvaart, zijn post, kerken, zijn particuliere bezittingen in het land en evenmin zijn particuliere bezittingen aan boord van onzijdige schepen enz. Als echter dit alles bescherming vraagt, dan het leven van het Volk nog meer, aangezien een doode bevolking aan rechtsobjecten, goederen, eten, zelfs tempels niet veel heeft. Het leven is meer waard dan alle levensmiddelen.

De tractaten bepalen den handel met de oorlogvoerenden. De Parijsche conventie van 1856 verklaart, dat vijandelijke goederen aan boord van neutrale schepen vrij zullen zijn: de vlag dekt de lading. De inleiding tot de Haagsche conventie No. 11 verklaart, dat deze bepaling is ge-

Sluiten