Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt o.a. om zekere regels vast te stellen voor den vreedzamen handel van den vijand en voor de bescherming, waarop onschadelijke arbeid aanspraak kan maken.

Een oorlogvoerende natie heeft dus volkenrechtelijk het recht, haar vreedzamen handel met onzijdigen voort te zetten, om in het leven te blijven. Komt een volk in oorlog, dan moet het 't recht hebben, om het leven te behouden onder bescherming van de integriteit van den onzijdige.

Over de rechten op het leven handelt artikel No. 22 van het reglement, dat verbiedt een bevolking, ja zelfs een krijgsmacht, te vergiftigen, en artikel No. 25—26 punt 2 en artikel 1 verbieden open steden aan te tasten, en eischen, dat vreedzame bewoners van een versterkte stad worden gewaarschuwd vóór het bombardement. Hieruit kan deze gevolgtrekking gemaakt worden: als het verboden is het leven van het volk door projectielen en vergiften te treffen, moet het ook verboden zijn, dit door honger te doen. Want ten opzichte van een dier zou het een zachte behandeling zijn, het een kogel of vergif te geven in plaats van het te laten verhongeren. Is het dus een wederrechtelijke handeling menschen schade door vergif of projectielen toe te brengen, dan moet het een nog grooter onrecht zijn hun grooter schade, den hongerdood, dien men een dier zelfs niet zou aandoen, te doen ondergaan.

Men heeft het recht steden te belegeren (reglement No. 25—27). Maar dan moet aan de vreedzame bevolking de gelegenheid gegeven worden zich van te voren door de vlucht te redden. Alleen de krijgsmacht mag men aantasten. Voorzoover bekend is, heeft ook geen andere staat dan Engeland een poging gedaan om een volk uit te hongeren, b.v. Noorwegen en Denemarken in 1807—'15. Het Continentaalstelsel, dat Napoleon den 21sten November 1806 tegen Engeland invoerde, had niet ten doel Engeland uit te hongeren; integendeel, alle mogelijke goederen werden in groote hoeveelheden door het continent aan Engeland verkocht. Het stelsel had ten doel, dat men niet van Engeland zou koopen. Het doel was: het vermogen van Engeland te treffen, maar niet zijn volk uit te hongeren.

Dan is er onderscheid gemaakt tusschen stad en land. Uit een stad kan men vluchten, maar uit een land is dat moeilijk. En als het land van alle kanten door vijanden omgeven is, kan men dat in het geheel niet. Daarmede moet een aanvaller dus rekening houden. Het is een sofisme, als men de belegering van een land wil rechtvaardigen door te zeggen, dat het geoorloofd is een stad te belegeren. De belegering van Parijs kwam volstrekt niet onverwachts. De inwoners konden naar de provincie vluchten, en velen waren ook inderdaad gevlucht. Trouwens er zou zich zeer weinig recht ontwikkelen, als elk oud onrecht herhaald moest worden, ook nadat het rechtsbewustzijn zoo ver is gekomen, dat het daarvan afstand doet, gelijk is uitgedrukt in het oorlogsreglement, artikel 25—27. Indien een onrecht, dat eenmaal werd begaan, het plegen van hetzelfde onrecht veel later zou wettigen, dan zou het b.v. ook rechtmatig zijn Engelsche vrouwen

Sluiten