Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

De eerste buitenlandsche politiek van Noorwegen.

Het leven bestaat niet alleen uit eten.

1°. Een vooraanstaand politicus moet in 1905 gezegd hebben, dat Noorwegen geen buitenlandsche politiek had. Het was daarom ook voor ons niet noodig gezanten enz. er op na te houden. Agenten en consuls waren voldoende om onze handelsbelangen te bevorderen.

Deze wijze van zien vond een goede ontvangst. Zij werd echter niet in praktijk gebracht. Wel voornamelijk hierom niet, omdat er geen voorbeeld was voor een dergelijke buitenlandsche vertegenwoordiging alleen voor handels- en bedrijfsbelangen. Niet, omdat men zich er duidelijk van bewust was, dat er ook andere principieele plichten in de internationale aangelegenheden der menschheid te vervullen zijn dan die van den handel en van het economische leven. Het was daarom ook niet uit drang, dergelijke principieele belangen vertegenwoordigd te zien, dat wij den vorm der andere staten overnamen. Wij traden dus in de rij der staten met een programma, dat op economische, stoffelijke en baatzuchtige doeleinden gericht was.

2°. Toch heeft het Noorsche Storting meermalen een andere opvatting getoond over wat het beteekent een vrije staat te zijn. In de jaren 1891 en 1897 had het Storting aangenomen, adressen aan de andere staten te zenden, die een algemeene rechtsorde tot behandeling van alle geschillen bedoelden. In 1905 deed het de ervaring op, dat een dergelijke rechtsorde nog niet bestond, en dat een volk er toe kon komen voor zijn vrijheid offers te moeten brengen. Het is er zonder offers gekomen Al wat het wenschte, kreeg het zonder bloedvergieten. Wat beoogde het Noorsche volk-met zijn stap in het jaar 1905? In 1914 had ons volk een taak van buitenlandsche politiek, die moeilijk duidelijker kon zijn geweest en moeilijk minder offers gevraagd kon hebben.

Voor de wereld hadden wij de hooge rechtsideeën verkondigd. Geheel afgezien daarvan, dat het Storting herhaaldelijk een wereldomvattende rechtsorde had voorgestaan, hadden wij ook de taak, die ons door Alfred Nobel's testament was toevertrouwd, aanvaard en ons daarmede verplicht door middel van ons Storting zorg te dragen voor de vredesgedachte van den Zweedschen apostel. In de geheele wereld stond het Noorsche volk aangeschreven als een der wachters van de heilige gedachten van de rechtvaardigheid. Nu moest getoond worden, hoe ernstig wij het meenden met onze idealen, d. w. z. hoeveel wij er voor wilden opofferen.

3°. En het offer was niet bijzonder groot. Wij hadden weder het geluk, dat wij van den oorlog geen ander leed ondervonden dan als toeschouwers

Sluiten