Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het lijden van anderen. En aan den anderen kant was het oorlogsgebulder zoo nabij, dat elk menschelijk gevoel van diep medelijden en van zelfonderzoek boven moest komen. De eisch van den toestand was voor iedereen duidelijk: Dat wij, die ons hadden verklaard tegen eiken oorlog, en die het geluk hadden er niet aan deel te nemen, dezen oorlog niet gaande moesten houden door oorlogsmateriaal aan de oorlogvoerenden toe te voeren. Nog minder den oorlog moesten beschouwen als een gelegendheid tot speculeeren, om goud, dat met bloed was bevlekt, te winnen. Hiervoor waren volstrekt niet zulke vérstrekkende idealen noodig als die, welke wij verkondigd hadden. Gewoon menschelijk gevoel was voldoende geweest om de gedachte van ons te wijzen de wereldtragedie tot een beursspel te maken en de leus "the war is business" te huldigen.

Wij hadden ook goede rechtstraditiën, waarop wij hadden kunnen voortbouwen.

In de verordening van 4 Maart 1803 § 13 verklaart de DeenschNoorsche regeering: Volgens de algemeene beginselen is het aan de onderdanen van onzijdige staten niet geoorloofd goederen, die als contrabande te beschouwen zijn (d.w.z. voor krijgsdoeleinden bestemd zijn), naar de oorlogvoerende mogendheden of haar onderdanen te brengen." Deze bepaling is in het tractaat van 15 Maart 1854, bij het uitbreken van den Knmoorlog, herhaald. In 1904 werd het aan de Noorsche schepen weder, op straffe, verboden contrabande, wapens, ammunitie en andere voorwerpen, die onmiddellijk voor oorlogsdoeleinden te gebruiken waren, te vervoeren. En verder, werd het verboden, al was het ook niet op straffe, voor de belligerenten steenkolen te vervoeren. Wij hadden dus een meer dan honderdjarige volkenrechtelijke traditie in ons eigen land, waarop wij konden steunen, als wij ons er van wilden onthouden mede te doen aan de groote verschrikkingen van den oorlog.- Onze buitenlandsche politiek werd gedurende de vereeniging met Denemarken en met Zweden steeds door dit gebod der menschelijkheid beheerscht, ofschoon het onontwikkelde volkenrecht nog niet zóóver gekomen was, dat het hierover bepaalde, algemeen aangenomen regels had vastgesteld.

Omgekeerd hadden wij gedurende vele jaren, met deze landen tezamen, er voor gestreden dat een onzijdige het recht zou hebben den oorlogvoerenden levensmiddelen te brengen Het is het beginsel: de vlag dekt de lading. En dit rechtsbeginsei berustte ook op het volkenrecht, zooals wij in bovenstaand hoofdstuk over den duikbootoorlog hebben uiteengezet. Dit beginsel is meer dan anderhalve eeuw juist hier in het noorden hoog gehouden en bij verdrag als volkenrecht aangenomen bij de Parijsche conventie van 1856.

Hoe werd nu onze buitenlandsche politiek geleid ten opzichte van ons groot programma, van de idealen der menschheid en van de volkenrechtelijke wetten, den eersten keer, dat ons volk vrij en verantwoordelijk zoo zelfstandig als andere volken, moest optreden? Hoe heeft onze regëenng de taak vervuld tegenover andere staten en het volk zelf?

Sluiten