Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze buitenlandsche politiek aansloten bij de andere noordelijke landen, dat wij ons tegenover vreemden constitueerden als een noordelijke eenheid en ons als een noordelijke macht schrap stelden tegen aanvallen.

Want als er ook maar de minste reden was om te vreezen, dat Engeland ons zou uithongeren, Rusland ons veroveren, en Duitschland ons onderdrukken, dan moest in den naam van alle politiek gebruik gemaakt zijn van het oogenblik, waarop de machtspositie van deze drie landen ten opzichte van ons land kleiner was dan zij ooit geweest was of kon worden. Wij konden ons alleen beveiligen door een gemeenschappelijke buitenlandsche politiek met een gemeenschappelijk orgaan ad hoe in het noorden te vestigen. Maar dit kon slechts geschieden, als de openbare meening in alle drie de rijken zóó werd geleid, dat de volksstemming de regeeringen tot de noodige aaneensluiting dreef.

Voorshands was Denemarken Duitschland niet welwillend gezind. De pers moest daarmede rekening houden. Dit zou voor Denemarken een politieke toenadering tot Zweden, dat op vriendschappelijken voet met Duitschland stond, moeilijk kunnen maken. Zweden dacht aan 1905. Nadat de Unie door opzegging, bij ambtelijke mededeeling van 7 Juni 1905, was opgeheven, was het Zweden vrijwel politiek onmogelijk het initiatief te nemen tot een nieuwe aaneensluiting. In Noorwegen bestond niet een zoo principieele antipathie tegen Duitschland als in Denemarken, maar evenmin zulk een welwillende gezindheid jegens Duitschland als in Zweden. Als wij in staat waren geweest een nauwere aaneensluiting tot stand te brengen, dan zouden wij daarmee het evenwicht in aangelegenheden van buitenlandsche staatkunde verkregen hebben, dat voor ons gewenscht was. Maar wij hadden te kennen moeten geven, dat wij liever steunden op Zweden en Denemarken en deze landen zelve wilden steunen, dan tot vazal van eene groote mogendheid gemaakt te worden en dan nog tegen betaling dienst te doen bij den leenheer. Wij moesten, tot op zekere hoogte, door onze handelingen te kennen geven, dat wij voordeden verwachtten van deze aaneensluiting, die wij in 1905 hadden opgegeven. Onze toenadering zou op te vatten zijn als een soort boete voor 1905 — en dit ook werkelijk zijn. De toestand vereischte een politieke overwinning op ons zelve.

De eerste poging tot een aaneensluiting, de conferentie van Malmö, ging van Zweden uit. De andere conferenties moesten meer beschouwd worden als tegenbezoeken. Nederland werd niet uitgenoodigd. De openbare meening heeft van onze regeering niet verlangd, dat zij om redenen van volkenrecht of volkenmoraal, afstand zou doen van de economische goede kansen. Zij heeft evenmin verlangd, dat er krachtdadige middelen zouden worden gezocht om weerstand te bieden aan a a n v a 11 e n, om onze volkenrechtelijke gelijkwaardigheid, zelfs met het Britsche rijk, hoog te houden, of dat offers moesten worden gebracht voor de taak der vrijheid tegen het volkenrechtelijk en economisch despotisme. Maar, dan

Sluiten