Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft nationale belangen. Belangen van onze volkenrechtelijke vrijheid en gelijkwaardigheid met andere staten, en cultureele, om in geestelijke ontwikkeling vooruit te komen. Het heeft ook grooter economische belangen uit andere takken van bedrijf dan onze vloot. Onze landbouw onderhoudt 900.000, onze nijverheid, mijnbouw en handwerk 600.000, onze visscherij 135.000 en onze zeevaart slechts 80.000 menschen, dus iets minder dan Vio van den landbouw en iets meer dan Vio van de industrie, minder dan Vso deel van deze beide te zamen. Een gedeelte van dit kleine twintigste nu heeft zich dus doen gelden op een zoo tirannieke wijze, dat het ons volk aan den rand van een oorlog heeft gebracht en hazard speelt met onze zelfstandigheid.

Wenscht ons volk, dat zijn lot zal worden bepaald door de economische belangen van de menschen, die zich inlaten met de oorlogsvaart? Moest het zich niet tevreden stellen met de winst, die het reeds heeft behaald? Zou het in het ergste geval niet beter zijn, dat wij ons vereenigden om deze menschen voor het verlies verantwoordelijk te stellen en beproefden hen te bewegen de oorlogshandelsvloot op te leggen, totdat er vrede komt? De meening bestaat, dat men. zooals aan de beurs, winst en verlies ook tegenover elkaar moet stellen wat betreft het leven van onze zeelieden, of het leven van ons volk in geval van oorlog. Heeft een volk wel het recht zijn standpunt ten opzichte van een oorlog afhankelijk te maken van zijn economische belangen en dan andere uitvluchten te zoeken als voorwendsel om zich te dekken? Deze vragen bestaan thans, nu wij bijna niet het minste kunnen veranderen in de richting, die onze vlootpolitiek heeft ingeslagen, zonder dat dit gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben. En nog eens: Iedereen is ongeschikt in zijn eigen zaak te oordeelen. Als meneer de scheepsreeder Gunnar Knudsen niet begrijpt, dat hij nu in dezen harden strijd ongeschikt is als eerste Minister de belangen van het land met verschillende scheepsreeders te behartigen, dan moet het hem duidelijk aan het verstand worden gebracht.

5. Wij hebben twee middelen om het gevaar af te weren. Het eene is, dat wij beginnen onzijdig te worden en werkelijk onzijdig te handelen. Wij eerbiedigen de Engelsche oorlogszone en benadeelen zoodoende de middenstaten zeer. Wij verplichten ons eveneens een antwoord hunnerzijds op onze opvatting (?) van de Engelsche oorlogszone te eerbiedigen, evenals wij ons verbihden de oorlogszone van Duitschland te respecteeren. Wij zullen'onze zeelieden en ons land beschermen en het volkenrecht handhaven, dat wij hebben erkend en nog erkennen. „Wij worden echter door het westen gedwongen." Dit is geen verontschuldiging; het is volgens het recht plicht van een mensch en van een volk zich te verzetten tegen dwang. *) En deze verantwoordelijk-

1) In het bovengenoemde uitstekende artikel in „Norsk Nseringsliv" van 21 April 1917 staat : „Hier wordt aangetoond, welke groote beteekenis de Noorsche handelsvloot voor Engeland's buitenlandschen handel heeft, en dit verklaart ons zoowel den Duitschen duikbootoorlog als de handelingen van Engeland om Noorsche schepen te dwingen tot zoogenaamde „plichtreizen" in de Duitsche gevaarlijke zone, of om Noorsche zeelieden, die schipbreuk geleden hebben, te verbieden Engeland te verlaten en ze te dwingen hun leven voor de geallieerden op het spel te blijven zetten.

Sluiten