Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erik Lie's interview in „Nya Dagliga Allehanda" van 13September 191& gaf een treffende kenschetsing van de werkelijke vrijheid van spreken van oordeelkundige menschen in ons land gedurende den wereldoorlog. — Het zal niet gemakkelijk schijnen een gelijkenis te vinden tusschen Napoleon en de aaneengesloten meerderheid van Entente-vrienden in de pers ten platten lande en in die van de hoofdstad, maar de roep om bescherming van de vrijheid van het woord o. a. tegen het voorstel van Urby brengt toch het volgende in herinnering: Toen Napoleon in 1812 zijn land aan den rand van den ondergang had gebracht en voor critiek bevreesd was, gaf hij Fouché, — of misschien een ander, — bevel de critiek in de pers te onderdrukken. „Maar," beval hij, „schrijf eerst vier kolommen ter verheerlijking van de vrijheid van het woord."

Omdat wij hier te lande geen censuur hebben gehad, daarom heeft er nog niet vrijheid van het woord geheerscht, evenmin als er een opgewekt nationaal bewustzijn heerscht, al hebben wij algemeen stemrecht.

6°. Misschien hebben wij nog tijd, maar wij moeten ons voorbereiden op gevaarlijke toestanden: op het laatste tijdperk van den oorlog, het sluiten van den vrede en den vredestijd daarna.

De oorlog kan ons nog verrassingen brengen, zoowel uit het oosten als uit het westen. Zonder zich voor een profeet te willen uitgeven, kan men wel zeggen, dat de chaotische toestand in het oosten zal eindigen öf door een door de Entente op touw gezetten staatsgreep, öf door een nieuwe revolutie van de arbeiderspartij. Het zal spoedig blijken, of het geld van Cecil Rhodes dan wel de schim van Tolstoï* de sterkste macht over de Russen zal krijgen. Maar beide mogelijkheden kunnen voor, Noorwegen en voor het noorden noodlottig worden.

En dan het despotisme in het westen: wat het voor het noorden beteekent, dat Engeland de Alandseilanden, „de noordelijke brug", aan zich trok, kan wel niemand overzien. De uitwerking van den duikbootoorlog stemt ook tot nadenken. In het Engelsche socialistische blad „Justice" schreef onlangs iemand, dat hij John Burns gevraagd had, waarom hij zich tegen den vrede verzet had en uit de regeerïng getreden was, in 1914. Hij had ten antwoord gekregen, dat de oorlog Engeland den algemeenen dienstplicht, beschermende rechten en ten slotte de revolutie zou brengen. Er wordt bijgevoegd, dat John Burns die kort daarna overleed, klaarblijkelijk goed voorspeld heeft: Het eerste is werkelijkheid geworden, het tweede is niet ver van in vervulling te gaan, en het derde bedreigt Engeland. De „Manchester Guardian" van 28 April bericht, dat de Engelsche arbeiders met beslistheid tegen de oorlogspolitiek van de Engelsche regeering zijn. De vervulling van de laatste profetie van John Burns zou van vérstrekkende beteekenis voor den oorlog zijn en tevens voor de toekomstige verhoudingen van Noorwegen en het noorden, naar alle zijden.

In ieder geval is het zeer waarschijnlijk, dat ons land na den oorlog een beteekenis zou kunnen krijgen, als het sedert aloude tijden niet' gehad heeft. Het is bijna ondenkbaar, dat de haat, dien de oorlog tusschen de groote mogendheden in Europa heeft doen ontstaan, een rechtstreeksch levendig verkeer tusschen hen mogelijk zal maken.

Sluiten