Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het verdrag heeft een dubbel karakter: het is overeenkomst en tevens vervult het de taak van het objectieve recht dat aan diezelfde overeenkomst rechtskarakter geeft. Bij sommige verdragen komt dat dubbele karakter nog meer naar voren: namelijk bij die verdragen waarin. de staten zich regels stellen volgens welke zij in de toekomst willen handelen. Deze verdragen zgn volgens velen rechtshandelingen en tevens bronnen van objectief recht 1). Men ziet hieruit dat de schrijvers die den nadruk leggen op den staatswil niet allen met v. Verdross 2) en Zorn tot de conclusie komen dat de regels, waarnaar het verkeer van staten en volken zich richt, hoe krachtig hunne werking zich ook doet gevoelen, slechts positieve rechtsregels zijn voorzoover zg, beschouwd van uit het standpunt van iedere afzonderlijke constitutie, krachtens het staatsrecht bindend zijn ; de meeste auteurs nemen een volkenrecht aan naast het staatsrecht 3).

Het ligt buiten ons bestek dit uitvoerig te bespreken: wg keeren terug tot ons onderwerp, de verdragen die regels voor de onderdanen inhouden, en zien dan dat deze opvatting aanleiding gegeven heeft tot eene eigenaardige theorie.

12. Bij de geschetste leer van het volkenrecht behoort namelijk de bekende theorie, 4) die het tractaat slechts erkent als een contract tusschen staten, met «volkenrechtelijke" werking, en ontkent dat bij het tractaat als zoodanig regels kunnen worden gesteld die in den staat ambtenaren en onderdanen binden. Haar inhoud is:

Voor de contracteerende staten ontstaan uit een verdrag subjectieve rechten en plichten. Die plichten bestaan bij sommige tractaten in het stellen van regels voor de onderdanen, wat vooral duidelijk is wanneer een tractaat den vorm heeft: „Wg contractanten verbinden ons om in onze wetgeving de volgende bepalingen op te nemen : "

Ook wanneer het tractaat zich niet tot den wetgever, maar tot den rechter (de onderdanen) richt, doordat het de regeling bevat zonder het stellen daarvan aan den nationalen wetgever op te dragen, is volgens deze theorie de rechter en de burger niet

1) Ullmann, pag. 31; de Louter, pag. 55; Nippold, pag. 37, zegt dat niet alle verdragen objectief recht scheppen.

2) Pag. 340.

3) Dat men, slechts den wil van den staat als uitgangspunt nemende, niet kan komen tot de constructie van een eigenlijk volkenrecht, drukt Triepel (pag. 77) aldus uit: „Dass eine rechtliche Verpflichting für ein Subjekt andern Subjekten gegenüber nur durch sein eigenes Gebot an sich selbst entstehen könne, halte ich für ein logisches Unding.* Triepel en zij die met hem een volkenrecht erkennen, zoeken den grond daarvan dan ook met uitsluitend in den wil van den staat. Zjj redden zich met beschouwingen bijv. over de noodwendigheid; Zorn is bondiger en duidelijker in zijn opvatting.

4) Kritiek daarop bij Verdross, pag. 349, 350.

Sluiten