Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgelegd, die onderwerpen regelen ten aanzien waarvan reeds wettelijke regeling bestaat 1).

De toestemming wordt vóór de ratificatie gegeven ten aanzien van een wetsontwerp inhoudend machtiging om aan het tractaat werking te verleenen. Dit ontwerp wórdt gewoonlijk door den Koning niet bekrachtigd dan na de uitwisseling der ratificatieoorkonden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de bindende kracht ten aanzien van de onderdanen wordt gezocht in de wet, en dat de goedkeuring van Senaat en Kamer van Afgevaardigden geacht wordt betrekking te hebben op de werking „naar binnen", en ook op de werking „naar buiten". Dit laatste wordt ook in Italië betwist 2).

OOSTENRIJK 3).

43. Tot de gemeenschappelijke aangelegenheden in de Oostenrijksch-Hongaarsche dubbelmonarchie behooren de buitenlandsche betrekkingen. De Keizer, bijgestaan door een Minister van Buitenlandsche Zaken voor Oostenrijk en Hongarije, vertegenwoordigt de Unie tegenover het buitenland. Deze regeling berust op twee gelijkluidende wetten, eene Oostenrijksche en eene Hongaarsche, beide van 1867 4), welke „Vereinbarung", met vijf „Staatsgrundgesetze" van 1867, de Oostenrijksche constitutie vormt 5). De Oostenrijksche wet verklaart verder dat „die Genehmigung der internationalen Vertrage, insoweit eine solche verfassungsmassig notwendig ist, den Vertretungskörpern der beiden Reichshalften vorbehalten bleibt.''

Art. 6 van het „Staatsgrundgesetz über die Ausübung der Regierungs- und Vollzugsgewalt" luidt:

„Der Kaiser schliesst die Staatsvertrage ab. Zur Gültigkeit der Handelsvertrage und jener Staatsvertrage, die das Reich oder Teile desselben belasten oder einzelne Bürger verpflichten 6), ist die Zustimmung des Reichsrates erforderlich" (Reichsrat: Herrenhaus en Abgeordnetenhaus).

1) Michon, pag. 385; Crandall, pag. 193, 195.

2) Michon, pag. 375—380.

3) Michon, pag. 388—406. Crandall, pag. 199 en vlg.

Pitamic Die parlamentarische Mitwirkung bei Staats vertragen in Oesterreich (1915).

Ulbrich, Das Staatsrecht der Oesterreichisch-Ungarischen Monarchie (Handbuch des Oeff. Rechts IV, I, 1, 1884).

4) De Louter, pag. 198; Crandall, pag. 199; Ulbrich, pag. 11 en 61.

5) Zooals men bij Ulbrich zien kan, is hiermede het Oostenrijksche constitutioneele recht niet volledig opgesomd.

6) Triepel noemt dit artikel als voorbeeld van „mangelhafte Fassung vieler Verfassungsklauseln," „daar een verdrag als zoodanig nooit de burgers kan verplichten." Deze stelling kan naar het ons voorkomt niet ter sprake komen, voordat is uitgemaakt dat de Grondwet alleen spreekt van het „Vertrag an sich" en niet ook van het verdrag als wet. (Triepel, pag. 119).

Sluiten