Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Voorstellen tot wijziging onzer Grondwet.

I,

58. De Staatscommissie van 1905 nam in haar voorstel tot grondwetsherziening bepalingen op, krachtens welke

1. alle verdragen vóór de ratificatie aan de goedkeuring der Staten-Generaal zouden worden ónderworpen;

2. bekrachtigde verdragen onschendbaar zouden zijn. Eerstgenoemd voorschrift strijdt niet met de leer van prof.

van Eysinga 1).

„Door de tweede bepaling, die den rechter zou verbieden het geratificeerde tractaat aan de Grondwet te toetsen, wilde de Commissie grondwettelijken steun geven aan de praktijk van de Nederlandsche rechterlijke macht, die het tractaat bindend acht zonder tusschenkomst van de wet" 2). Gaat de praktijk later uit van het standpunt, dat het volkenrecht het hoogste en alles, omvattende recht is, en dat zelfs de Grondwet aan het tractaat moet worden getoetst 3), dan zal zij zich aan de bedoelde tweede bepaling niet storen. Houdt daarentegen de praktijk zich aan de contractstheorie zooals de Hooge Baad thans, dan zal ze gesteund worden door die bepaling, die geen zin heeft als de ratificatie niet naast de volkenrechtelijke ook staatsrechtelijke werking heeft.

Is de theorie van prof. van Eysinga, (prof. Hamaker, prof. van Vollenhoven) juist, dan is de bedoelde bepaling niet noodig; is de contractstheorie juist, dan is ze onvolledig, omdat ze niets zegt omtrent uitvaardiging en afkondiging van tractaten en omtrent den rang dien het tractaat heeft tegenover de wet 4).

n.

59. De Grondwetcommissie van 1910 5) ging mede met de commissie van 1905 voorzoover deze goedkeuring van alle verdragen vóór de ratificatie voorstelde.

1) van Eysinga, pag. 50.

2) Lenting, Schets van het Nederlandsch Staatsbestuur, ed. 1914, pag. 108.

3) van Eysinga, pag. 130.

4) Men leze ook de Marez Oyens, pag. 40 en 41.

5) Mr. J. B. Kan, Handelingen over de herziening der Grondwet, deel I pag. 26, 56.

Sluiten