Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verder steldé de commissie van 1910 voor in art. 59 op te nemen:

„Verdragen die bepalingen inhouden waarbjj van de Grondwet wordt afgeweken, worden niet bekrachtigd dan nadat zij door de Staten-Generaal zijn goedgekeurd met eene meerderheid, in elke der beide Kamers de helft van de leden te boven gaande."

Zouden de aanhangers der leer, dat het volkenrecht als hoogste recht het staatsrecht omvat, deze bepaling dulden omdat zij aan de volksvertegenwoordiging geen invloed toekent op het vaststellen van den inhoud van het tractaat, 1) zij zouden vermoedelijk geen vrede hebben met de door de Staatscommissie van 1910 mede voorgestelde zinsnede:

„Bepalingen van verdragen die wijziging brengen in wettelijke rechten, worden niet algemeen verbindend dan na vaststelling, naar gelang van haren inhoud, bij wet of algemeenen maatregel van bestuur."

Deze bepaling toch acht prof. van Eysinga door het volkenrecht niet toegelaten: ,,de lagere regeling kan de kracht der hoogere niet bepalen; iedere poging om bij de wet de werking van tractaten te bepalen, is veroordeeld" 2).

De rechter, zich op het standpunt van prof. van Eysinga stellend, zal deze bepaling ongeschreven achten.

60. Is het daarentegen waar dat slechts door een bepaling van staatsrecht, en niet door het volkenrecht de burger kan worden gebonden, dan zou, werd het stelsel der commissie van 1910 in de Grondwet opgenomen, de wet of de algemeene maatregel van bestuur, niet het geratificeerde tractaat bindend zijn. Neemt men met Laband, Triepel en anderen aan dat er een volkenrecht bestaat naast het staatsrecht, dan moet men de mogelijkheid erkennen van een conflict tusschen tractaat en wet (A. M. v. B.). Men kan dan öf met Laband 3) op de een of andere wijze beredeneeren dat het volkenrecht moet worden nageleefd; öf erkennen, dat de tractaatsinhoud, eenmaal in de wet neergelegd, los is van het volkenrecht, zooals Prof. Mr. A. A. H. Struycken doet in zijn werk: „Grondwetsherziening" 4).

Deze schrijver wijst op het gevaar „dat in het tractaat ter wille van de rechtseenheid onderdrukte nationale belangen en ideeën, indien de bedoelde bepaling der commissie van 1910 wordt opgenomen in de Grondwet, in de Tweede Kamer hun vertolkers zullen vinden, en in de nationale wet zullen worden verwezenlijkt;

1) van Eysinga vat de goedkeuring van het parlement op als een „fiat" (pag. 127, 165).

2) van Eysinga, pag. 161, 162.

3) Laband bespreekt wel niet het geval dat na de ratificatie een wetsontwerp wordt ingediend, maar het is duidelijk dat hij een conflict tusschen volkenrechtelijke verplichting van den staat en staatsrechtelijke bevoegdheid van het parlement wil zien opgelost ten gunste van het volkenrecht. Cf. no. 33, 35.

4) pag. 76, 77.

Sluiten