Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboorte wordt gebracht, maar het instituut voor het kind, dat wil zien, hooren, waarnemen, maken en zich oefenen.

Wanneer dan onze kinderen de lagere school verlaten, zijn ze zeker nog frisch, ze beschikken over meer voorstellingen, meer materiaal en meerdere vaardigheid, dat is kans om het materiaal nuttig te verwerken. , l

De school voor middelbaar onderwijs neemt ze ever en wei op een leeftijd, die varieert tusschen 11 en 13 jaar.

Nu wordt het zaak, eerst de taak van het middelbaar onderwijs te omschrijven. Laat ons het er over eens zijn, dat bijna niemand meer studeert om de studie zelf; dat onze studie, bedoeld is de schoolopleiding, steeds beoogt: onszelf te brengen tot een positie, die ons recht op ons bestaan geeft, die dus productief is. De enkele, die dit nu niet noodig heeft, wil toch der wereld niet vreemd zijn en ook hij heeft zich dus te gedragen, alsof hij productief wil worden. Men beschouwe dezen eisch niet als een gevolg van een materialistische levensbeschouwing: het is slechts de vastlegging van een feit, dat misschien wel een gevolg is der doorwerking van het activiteits-beginsel der Christelijke leer. Reeds eer wezen we er op dat het onderwijs op zich zelve beschouwd gerust materialistisch kan zijn, zonder dat de opvoeding zulks behoeft te wezen. Het is toch slechts een van moreel of theologisch standpunt bezien weinig beteekenend onderdeel der menschvorming en het vraagt in hoofdzaak, zoo niet uitsluitend onze aandacht — en heel veel tijd der leerlingen — ter wille van de oeconomische belangen der maatschappij en de stoffelijke redzaamheid der enkelingen.

Om twee redenen nu moet de beroeps-opleiding, doelbewust, thans beginnen. Eerstens vraagt de maatschappij het. Er wordt zooveel geëischt van ieder, die zijn brood wil verdienen en goed wil verdienen, dat we de voorbereiding tot het beroep zoo vroeg mogelijk moeten doen aanvangen. Ten tweede vraagt de jonge mensch er zelf om. Hij wil al heel vroeg wat worden, en al wisselen deze verlangens in de prille jeugd van tramconducteur tot koning, er komt zeker meer standvastigheid in latere jaren en men kan dan ook, als de observatie deugde, al tamelijk zeker zeggen, in welke richting het kind van 11—13 jaar zijn heil moet zoeken.

Sluiten