Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schikten. De waardeering van zijn arbeidskracht ondervindt eene stijging. Zoodra eene productiebeperking plaats heeft wordt hij uit de rijen der tot arbeid geschikten gestooten en moet in de groep der half-geschikten opgenomen worden, d. w. z. in die groep, die zich door de liefdadigheid van andere maatschappelijke groepen een normaal inkomen tracht te verschaffen *).

De keerzijde der verzekering van de vakvereenigingen is echter, dat de oeconomisch zwakste vereenigingen met het grootste aantal werkloozen ook de zwakste kassen bezitten, die dus in tijden van werkelijken nood het eerst uitgeput zijn *).

Voor de groep der ontwikkelde werklieden, die reeds zelf het groote belang van werkloosheidskassen inzagen en wier draagkracht het stichten en instandhouden veroorloofden, ontstond eene krachtige bevordering van hun streven. De gemeente stelde hulp in uitzicht.

Voor Amsterdam werd de verzekering volgens het Gentsche stelsel in 1907 ingevoerd en langzamerhand kwamen voor gemeentelijken steun die vakvereenigingen in aanmerking, welke volgens bepaalde verordeningen een afzonderlijke ondersteuningskas met eigen bestuur en goede boekhouding bezaten.

') Bodelschwingh geeft deze elementen als het groote deel der zwervende armen op: het ligt voor de hand, dat gedurende tijden, waarin veel werk te verrichten valt, al het mogelijke aangenomen en te werk gesteld wordt, wat eenigszins in staat tot werken is, in tijden van industrieele eb juist de minderwaardige krachten overal het eerst op straat gezet worden. Die Wanderarmen und die Arbeitslosen.

Bij werkverschaffing worden in een reeks Duitsche steden de seizoenwerkloozen van het recht op dit werk uitgesloten. Bv. in Frankfurt-Augsburg-Karlsruhe, enz. Zie p. 47 „Die Regelung der Notstandsarbeiten in deutschen Stadten". Bewerkt in het Kais. Statistische Bureau. Berlijn 1905.

*) De geringe ontwikkeling der vakvereenigingen in Amsterdam maakte het in het jaar 1900 nog onmogelijk een overzicht over den omvang der werkloosheid te verkrijgen (Rapport 1903). Een enquête bij de Volkstelling is tot nu toe nog niet gehouden, alleen ééne vakvereeniging was in staat betrouwbare gegevens mede te deelen. De oommissie, die indertijd ter bestudeering van de quaestie bij besluit van den Gemeenteraad ingesteld werd, had zich met den algemeenen indruk moeten vergenoegen, dat in dat jaar de werkloosheid grooter was dan in de voorgaande jaren. Allengs leverden de vakvereenigingen echter betere gegevens. De werkloosheidsverzekering met gemeentelijke subsidie bracht ook nauwkeurige boekhouding mede. Over de niet-verzekerden echter bestaan geen voldoende inlichtingen.

De Algemeene Ned. Typographenbond, die het risico der werkloosheid door een algemeene kas over het geheele land zoo gelijkmatig mogelijk verdeelt, was de krachtigste en had zijne kassen het eerst georganiseerd. Hoeveel sterker een nationaal vakverbond tegenover de werkloosheid staat dan een zuiver locaal, kan bv. uit het feit blijken, dat de Typographenbond in de jaren 1904—1906 in Amsterdam alleen f 3.363 ter ondersteuning uitdeelde, terwijl de inkomsten over hetzelfde tijdvak, indien ze alleen door Amsterdam gedragen waren, slechts f 1.650 zouden bedragen hebben en dus de kas spoedig uitgeput zou zijn geweest.

Sluiten