Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan vinden in het aantal werklieden zelf aldaar woonachtig

De vakbeweging tast het bedrijfsleven daar aan, waar zij het zwakste punt, dus de meeste kans op slagen vindt. In Nederland zijn het de kleinbedrijven, welke in hun veelheid, hunne desorganisatie, de beste voorwaarden tot succes bieden. Door een reeks van kleine stakingen weet de grootere georganiseerde werkliedengroep den kleinen werkgever te dwingen. Iedere ingewilligde eisch wordt snel overgenomen door de geheele bedrijfsgroep, zoodoende rijst de gezamenlijke standaard.

Opvallend is het feit, dat juist de bedrijfsgroepen waar de machine het geringste, de persoon en de geschooldheid van den werkman het grootste aandeel in het werk hebben, de meest ontwikkelde vakvereenigingen bezitten: de timmerlieden, de metaalbewerkers en scheepsbouwers, de sigarenmakers, typographen, de diamantarbeiders.

Die bedrijven met massa-productie en omvangrijk werkpersoneel, waar de geringste loonsverhooging of verkorting van den arbeidsduur, in reusachtig veelvoud op het kostenbudget van de onderneming komt, waar ook de werkman slechts aanhangsel van de machine is, gemakkelijk vervangen wordt, staan het onbeweeglijkst tegenover de eischen van de vakbeweging.

De beweging bevindt zich dus nog midden in het stadium, waar niet door het preventief sluiten van een overeenkomst het doel bereikt wordt. Voor haar geldt hetzelfde woord, dat door Zimmermann over de Duitsche verhoudingen geschreven werd, bij het gewag maken van het Engelsche scheidsgerecht, de Board of Trade, dat door het voorkomen van stakingen een bepaald verwonderlijke vermindering van stakingen naar aantal, deelnemerstal en duur doet ontstaan, terwijl in Duitschland sedert 1900 eene verdubbeling der arbeidsconflicten en eene verviervoudiging van het aantal strijdenden te noteeren viel»).

•) In 1917 waren 67.000 georganiseerden te tellen op eene totale bevolking van ± 670.000 personen = 10 % van de geheele bevolking, 20 % van de geheele mannelijke bevolking en ± 44 % van alle mannen tusschen 20 en 64 jaar.

3) Gewerbliches Einigungswesen in England und Schottland. Bericht der Studiën Kommission der GeseHschaft für Soz. Reform, door Waldemar Zimmermann, blz. 44- „Der gröszere Gewinn blieb in England auf Seiten des Arbeiters in Lohnerhöhung und Verkürzung der Arbeitszeit, alles dies fast ohne Schwertstreich, ohne die Produktion und die Volkswirtschaft zu storen, ohne das Gedeihen der Britischen Industrieunternehmungen zu beeintrachtigen, ein Ergebnis jahrzehnte langer Organisationsarbeit auf beiden Seiten, eine Frucht harten Kampfens und Ringens, mühsamster Erziehung und Aufklürungstatigkeit.

Sluiten