Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder de volwassenen meldden zich in de eerste plaats die elementen aan, welke ook het eerst ten laste der armenzorg komen, namelijk de ongeschoolden en de chronisch werkloozen. De vakarbeiders maakten het minst gebruik van deze arbeidsbeurs. Deze in het begin in het buitenland evenzoo ondervonden toestand*) is een overblijfsel uit den tijd, toen de werkloosheid en hare r^trijding uitsluitend tot de liefdadigheid gerekend werd; hij wordt in stand gehouden door het feit, dat de arbeidsmarkt, zelfs in de grootste stad van Nederland, nog steeds eenigermate te overzien blijft, vooral voor den geschoolden, ontwikkelden vakman.

Beschouwt men de gebeurtenissen uit de periode 1899—1913 ») nader, dan ziet men, dat de stijging van de vraag naar vakarbeiders veel minder sterk is dan het aanbod en doorgaans slechts ruim de helft ten slotte plaatsing vindt»).

Het aanbod van ongeschoolden bleef ongeveer tien jaar lang gemiddeld op gelijke geringe hoogte, verdriedubbelde zich daarna, maar bleef toen wederom stationnair (± 5.000); de vraag naar ongeschoolden bleef gedurende dezelfde eerste periode even gering, steeg vervolgens, maar bleef onbelangrijk; circa een derde van het aanbod vond steeds plaatsing.

De vraag naar leerlingen beneden 18 jaar toont een tamelijk groote vermeerdering aan; het aanbod (± 5.000) steeg echter slechts weinig, het aantal geplaatsten bedroeg jaren lang bijna de helft van het aanbod. De meeste jaren toonen echter aan, dat

subsidie werd geweigerd, omdat de evenredige vertegenwoordiging van werkgever en werknemer ontbrak, hetgeen voor een door de gemeente gesubsidieerde, neutrale inrichting verlangd moest worden. Daarna constitueerde zich de particuliere vereeniging als zelfstandige centrale arbeidsbeurs met paritetisch bestuur (i Mei 1897). De kosten werden gedragen door bijdragen van de leden. Eene gemeentelijke subsidie en eene van de particuliere vereeniging, welke het oppertoezicht verder uitoefende, werd ontvangen, terwijl een kosteloos ter beschikking gesteld gebouw van de gemeente de onkosten verlichtte. Wegens de onzekere financieele basis echter, welke tegenover de stijgende kosten onhoudbaar bleek, volgden talrijke verzoeken om overname door de gemeente, waartoe eindelijk besloten werd (Handelingen van den Gemeenteraad 1891, 1894, 1896, 1900, 1903, 1908). De overname volgde 1 Juli 1908 en sedert dien worden alle kosten door de gemeente gedragen. Het bestuur bleef paritetisch.

*) G. Sehmoller, Grundriss der Volkswirtschaftslehre II, p. 391. ) De cijfers der arbeidsbeurs over de jaren 1899—1910 zijn slechts ten naastenbij te vergelijken. De boekhouding was voor 1910 onnauwkeurig en daarom is vooreen groot deel de plotselinge stijging in de volgende jaren aan den overgang van het lijstensysteem tot het kaartsysteem toe te schrijven.

J) 1910—1913= 49-7%; 52.6 %; 59-7%; 64.3 %.

Sluiten