Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag zelfs het aanbod overtrof. Het is opmerkelijk, dat dus ongeschoolden- en leerlingenaanbod jaren lang zulk eene constante grootte aanwijst. Naast deze in verhouding nog zwakke, onbelangrijke cijfers toonen de totalen een geheel ander beeld.

In de laatste jaren steeg het totale aantal aanbiedingen namelijk van circa 12.000 tot 43.000»). Deze stijging komt echter voornamelijk voor rekening van de vrouwelijke arbeidsbeurs en wel voor de rubriek der schoonmaaksters. De mannelijke vakarbeiders namen ook deel aan deze stijging, doch slechts in véél geringer mate. Tegenover het aanbod van circa 27.000 werkvrouwen (1913) stond het uiterst gunstig aantal van circa 22.000 aanstellingen in dezelfde rubriek *), terwijl de mannelijke vakarbeiders er slechts enkele duizenden telden 3).

Over de werkloosheid en het tekort aan werk geven deze feiten echter geen betrouwbaar uitsluitsel'). Ook over de categorie der vakarbeiders is nog weinig te zeggen6). De ervaring toont echter aan, dat zéér velen hunne beroepsopgave veranderen, zoodra de vraag naar eene plaats in het eerst opgegeven beroep niet gelukt. De arbeiders in de bouwvakken, vooral, en de metaalbewerkers zijn het meest in verechillende beroepsgroepen aan te treffen. De eersten gaan het gemakkelijkst tot andere beroepen over.

*) 1909—1913. YT*?:

a) Wegens den buitengewonen toestand, geschapen door de mobilisatie 1914 en met den oorlog samenhangende gebeurtenissen, is een vergelijk voor latere jaren niet betrouwbaar. Aanbod, vraag en plaatsing bedroegen per maand in het Rijk:

1913 resp. 11.601, 9.210, 5.817

1916 resp. 17.826, 14.101, 8.819.

Ter verduidelijking van den invloed der gebeurtenisen de cijfers van 1914 voor aanbod, vraag en plaatsing per maand in het Rijk van Jan.—Juli en Aug.—Dec resp.: 13.316 en 24.645: aanbod, 10.142 en 9.923: vraag, 6.715 en 7.648: plaatsing.

*) 1912: 2.642 v.a. 1913: 5.112 v. a.

*) Het moet ook als onjuist aangenomen worden, dat weinig aanbod en weinig vraag een geringeren graad van werkloosheid zou aangeven. Vooral de geschoolde werkman weet bij werkloosheid al te goed of er kans op plaatsing is; is die kans gering, dan meldt hij zich niet eens aan bij de arbeidsbeurs, ondanks groote werkloosheid.

•) Alleen vindt men voor arbeiders in gemeentedienst een desbetreffende aanteekening (Overzicht van diensttijden, loonen, ziekteverzuim, enz. over het jaar 1911, pag. 9). Van 1.938 arbeiders op korten termijn aangenomen werkten 551/, % niet meer dan 100 dagen per jaar voor de gemeente Amsterdam en slechts i6V2 % meer dan 200 dagen. Van 516 arbeiders, die in 1910 op korten termijn aangenomen waren, werden in 1911 wederom 90 aangenomen. Van de overige 426 werden de meesten ongeschikt voor den gemeentedienst bevonden; van 250 arbeiders is de reden waaroio *e *ich niet aanmelden, onbekend. Ze gingen in andere bedrijven over of meldden zich uit traagheid niet meer aan.

Sluiten