Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vakopleiding.

zulk een groot aantal jeugdige personen zonder eenige vakopleiding bij de arbeidsbeurs aanmelden.

Dit is terug te brengen tot twee hoogst onaangename feiten, welke, om zoo te zeggen, aanvullend op elkander werken en voor een geheele groep arbeiders de verst-strekkende gevolgen na zich sleepen. De leerplicht loopt van het 6de tot het 12de jaar of tot de beëindiging van het zesjarig lager onderwijs, waarbij in aanmerking moet worden genomen, dat de leerplicht ophoudt met de klasse, welke het kind op den leeftijd van 13 jaar doorloopt (art. 1—30 Leerplichtwet). De leerplicht voor voortgezet of middelbaar onderwijs of een wettelijke regeling van het vakonderwijs bestaat niet. Het arbeidsverbod voor kinderen geldt tot het 13e jaar. Voor den welgestelden arbeider bestaat de mogelijkheid om zijn kinderen op de kostelooze herhalingsscholen, in de avondscholen en ambachtsscholen tot flinke vakarbeiders te laten vormen. Voor aan lager wal geraakte losse werklieden, voor geheel onbemiddelde of op winstbejag beluste ouders spelen deze mogelijkheden tot ontwikkeling geen rol. Een reeks van Amsterdamsche Kamers van Arbeid constateerde in bijna alle klein- en grootbedrijven het ontbreken van een volgens vast plan gevormd vakonderwijs. De jeugdige arbeiders zijn geheel afhankelijk van de bereidwilligheid van de werklieden, die ze helpen. De dwang om „gauw geld te verdienen" werkt er toe mee dadelijk bij het verlaten der school een plaats als loopjongen of als hulp aan te nemen. Het loon is hoofdzaak. Er spelen zich dan gebeurtenissen af, welke in het leven van bijna alle ongeschoolden, maar ook van bijna alle schipbreukelingen der arbeidersklasse een rol vervullen. De jongens gaan van deneenen dienst in den anderen, leeren niets degelijks, worden zooveel mogelijk uitgebuit. Van beide zijden bestaat geen streven om les te nemen of te geven. De arbeidsverhouding is van den kortsten duur en het soort werk van een overgroot aantal van jonge arbeidskrachten vernietigend voor de vorming der, voor het geregelde werkleven, noodige eigenschappen. Zij wennen alleen aan een met horten en stooten herhaalde arbeidsprestatie, verliezen volhardings- en concentratievermogen, stellen geen belang in het eentonige oninteressante werk, worden hoe langer hoe meer onbetrouwbare werkkrachten.

Overal hoort men dezelfde klacht, welke in zoo hooge mate de

Sluiten