Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarover ondervraagde havenarbeiders (enquête 1911) het grootste aantal op den leeftijd tusschen 16 en 19 jaar in het havenbedrijf gekomen was.

De aanvragen om jongens, welke de arbeidsbeurs krijgt, zijn daarom zoo talrijk.

Bij verschillende bedrijven is dus een leerlingenkweek te constateeren. De latere overvoering van het bedrijf en de onvoldoende vorming leveren daardoor voortdurend nieuwe elementen voor werkloosheid op 1).

Zoo is in het bakkersbedrijf een vermeerdering der heel jonge krachten te constateeren.

In het genotmiddelenbedrijf begint het gebruik van jonge werkkrachten zich eveneens sterk uit te breiden. In eenige kleinbedrijven werd hetzelfde opgemerkt.

De zoo onvoldoende vonning van den jongen arbeider moet, zooals vanzelf spreekt, later tot een gebrek aan geschoolde arbeidskrachten leiden, wat ook inderdaad het geval is. Hier vertoont zich nu een reden voor den trek. De leerling in het dorp of in de kleine stad is niet alleen in de keus van zijn baas beperkt, zoodat hij zijn leerjaren gewoonlijk bij een en denzelfden baas doorbrengen moet, maar hij vindt in de dorpswerkplaats, waar alle mogelijke werk verricht moet worden, de gelegenheid zich veelzijdig te ontwikkelen — wat ook in de kleine fabrieken het geval is. Deze betere werkkrachten trekken naar de groote steden en vervangen daar de onbruikbare stedelijke elementen. De in de stad geborenen zijn daarom in deze categorieën van werkkrachten eerder aan het gevaar der armoede overgeleverd dan de niet in de stad geborenen.

Op de psyche der jeugdige arbeiders oefenen deze feiten een verderfehjken invloed. Spoedig het regelmatige werken ontwend, beginnen ze een teugelloos leven, wat hen voor hun geheele verdere bestaan tot ongewenschte werkkrachten stempelt. Voor henis in Amsterdam, zooals in iedere havenstad, spoedig het losse werk in het havenbedrijf of als fabriekssjouwerman het eenige middel om zich een inkomen te verschaffen *). Van 618 havenarbeiders,

*) In Duitschland komt, zooals uit de ervaring blijkt, inderdaad het grootste aantal werkloozen op die bedrijven neer, die de leerlingenkweek het sterkst hebben bevorderd (W. Stieda, Lehrlingswesen, p. 457, VI H. W. d. St.).

*) G. Schanz beschrijft hoe onder de oorzaken der werkloosheid de onvoldoende vorming van bijzonder grooten invloed is. „Er zullen altijd menschen zijn, die een ver-

Het overvoeren met leerlingen.

Sluiten