Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke (1912) daarover ondervraagd werden, gaven circa 35 % als oorzaak van hun werkzaamheid in het havenbedrijf op, dat ze als loopjongen of hulp niets geleerd hadden en daarom als volwassen man in het havenbedrijf hoogere loonen hadden gezocht *). Dit feit wordt nog daardoor verscherpt, dat veel arbeiders uit geschoolde beroepen pas tegen het 26—28e jaar de vaardigheid verkregen hebben, welke hen tot goede arbeidskrachten stempelt. Dat brengt mede, dat bij inkrimping der productie de jongere werkkrachten het eerst ontslagen worden, zoo bv. in het vak der timmerlieden *).

De verstrekkende gevolgen der leerling-toestanden kunnen nauwelijks onderschat worden. Een groot percentage van werkkrachten wordt door dezen stand van zaken bij voorbaat tot onbekwaamheid tot verdienen veroordeeld, terwijl ze zich door een betere regeling tot waardevolle arbeidskrachten konden opwerken. De onvermijdelijke noodzakelijkheid treedt dan echter spoedig in om door liefdadige hulp het door tijdelijke werkloosheid onvolledige inkomen aan te vullen of te vervangen. Op deze onproductieve wijze wordt een groot deel van het volksinkomen opgeteerd, dat bij eene betere regeling voordeeliger gebruikt had kunnen worden *).

Voor die groep van arbeiders, welke reeds door de genoemde voorwaarde voorbestemd wordt in het arbeidsleven een ongun-

keerd beroep kiezen, waarin zij tengevolge van lichamelijke en geestelijke eigenschappen niets goeds presteeren, terwijl zij in een ander op hun plaats zouden geweest zijn en er zullen ook steeds karakterzwakke personen zijn, die niet leeren willen en daarom stumpers blijven. Maar daarnaast zijn er toch ongetwijfeld talrijke gevallen, waarin ongunstige omstandigheden beletten, dat de enkeling zoo gevormd wordt, dat hij behoorlijk in het leven vooruitkomt. Egoïsme der ouders, egoïsme der leermeesters, onbekwaamheid der laatsten, wijziging der techniek werken samen om deze resultaten te doen ontstaan".

Dritter Beitrag zur Frage der Arbeitslosenversicherung, p. 373.

*) Verslag over het haventoezicht uitgeoefend in 1912.

*) Gemeentelijke steun bij werkloosheidsverzekering. Rapport 1906, p. 28.

*) Het leerlingenwezen in het buitenland heeft in Zwitserland zijn meest ontwikkelden en meest bevredigenden vorm gevonden — vooral de leerlingenexamens hebben daartoe veel bijgedragen — evenals de leerpatronaten. Voorbeeldig is de wet in het kanton Zürich, die op 22 April 1906 ingevoerd werd.

Op 21 Mei 1915 werd een Nederlandsch wetsvoorstel ingediend ter regeling van het vakonderwijs, waarin het leercontract eveneens geregeld werd en een kostenovername ad 50 % door het Rijk voor de opleiding der onbemiddelde jeugd in uitzicht gesteld werd. Deze wet was 1917 nog niet in behandeling gekomen. Door eene subsidie zou zeer zeker de opleiding van een aantal werkkrachten bevorderd worden. Ze brengt eene verlichting der kosten. Voor die ouders echter, die hunne kinderen onmiddellijk iets willen laten verdienen, geeft deze regeling evenmin eene oplossing. Alleen leerplicht kan redding brengen.

Sluiten