Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de 7.554 werkloozen leverden wederom de bouw-en aanverwante bedrijven het grootst aantal. Daarop volgden de kleermakers1), sigarenmakers*) en de overige bedrijven; de groepeering naar den ouderdom wees bijna dezelfde getallen aan3).

De plaats van geboorte gaf een percentage van 66.2 %, bij de ongeschoolden wederom meer, namelijk 73.8 %.

Schakelt men de bouwbedrijven, welke in hunne werkloosheid een aantal beroepen medesleepen, en de ongeschoolden uit, dan ziet men evenals bij een vroegere proef, dat verder alle mogelijke beroepen ^vertegenwoordigd zijn. Een bijzonder groote groep, één bepaald beroep uitoefenend, was daarbij niet; veeleer zijn de kleine bedrijven van den meest verschillenden aard, welke bij een depressie het spoedigst de verzwakte koopkracht van den kleinen middenstand en der arbeiders bemerken4), vertegenwoordigd en daaronder diegenen, welke weinig vakkennis eischen.

In het tweede jaar werden de volgende beginselen bij de regeling der werkverschaffing aangenomen:

1. De ondersteuning mocht alleen ten goede komen aan arbeiders, die in normale verhoudingen in staat waren hun brood tè Verdienen; allen boven de 60 jaar werden uitgesloten.

2. De familie was in de eerste plaats verplicht den onderhoudsplicht op zich te nemén. Ter controleering van den noodtoestand

') In Amsterdam behoort de kleedingindustrie hoofdzakelijk tot het gebied der huisindustrie. Een bedrijfscrisis treft het eerst deze arbeiders, die.geen weerstandsvermogen bezitten, daarbij is de seizoenswerkloosheid nog tamelijk groot, ofschoon afnemend. Dit vak lijdt onder chronisch te groot aanbod. De overmatige werktijden, de hulp van vrouw en kinderen, veroorzaakt eene groote Opeenhooping van werk, welke ten slotte weer door werkloosheid gevolgd wordt. De thuiswerkers dragen vrijwel alleen het beroepsrisico. Vgl. Verslag van de vijfde Sub-commissie II, p. 29 v.v. door de Staatscommissie over de Werkloosheid.

*) De sigarenmakers hebben een anderen vorm van huisindustrie; een groot aantal werkt op fabrieken,echter wegens de zeer slechte loonen ook nog thuis. Bovendien zijn er honderden, die thuis op eigen risico werken. Deze twee categorieën trachten op de meest verschillende wijzen zich van afnemers te verzekeren in de kleinste détailzaken, op markten, door verkoop uit de hand, enz. Bij de geringste storing in het maatschappelijk leven bemerken zij dadelijk den terugslag door sterk verminderden verkoop. Een onmiddellijk ophouden van de inkomsten treedt in. Deze klein-ondernemers beletten door hun goedkoope productie eene loonsverhooging inde fabrieken.

Vgl.: Onderzoekingen naar de toestanden in de Nederlandsche buisindustrie, Deel I, p. 161 vv.

Beroepen der werkloozen.

Derde poging.

3) In den ouderdom van | 87 j- | 25—35 j. | 35—47 j- 1 45—55 )• I 55

i ' i I i I

Personen 1.580 | 1.686 | 1.411 | 1.452 | 1.425

4) Hetzelfde ziet men bv. in 1913—1914 door de werkloosheid in het diamantvak.

Sluiten