Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De faillissementen.

Alleen uiterst gelukkige speculaties, misschien ook een enkele maal zijn geniale aanleg als ontwerper van een bouwwerk, de allergrootste uitzondering, brengt hem uit dien toestand van onmacht, en juist zulke speculaties worden door de concurrentie hoe langer hoe zeldzamer.

Zoo groeide het heir der bouwondernemers, dat den goeden roep van den ondernemersstand in gevaar bracht

Zoo groeide ook de macht der voorschotbanken, die langzamerhand een sterke tendens beginnen te ontwikkelen tot het financieren van bouwspeculaties. Zóó sterk dringt dit feit zich langzamerhand op den voorgrond, dat de overtuiging zich vestigt, dat langzamerhand de ondernemer op het tweede plan wordt teruggedrongen, dat de banken de lastgevers, de eigenlijke oorspronkelijke beheerschers van de bouwspeculatiesj zijn geworden.

De basis, waarop al deze aannemers werken, is dus zeer onsolide, zóó onsolide, dat bij het geringste ongeval eene ineenstorting van hunne financieele berekening volgt, in hun val heel wat medesleepend.

Zoodra de rentestandaard stijgt, zoodra het verkoopen of verhuren minder vlot gaat, zoodra de leveranciers niet meer willen wachten op het voldoen hunner vordering, volgt de ineenstorting.

In de groote steden ziet men dan ook den huizenbouw steeds in andere handen. Gelukt namelijk de speculatiebouw, heeft de ondernemer zijn vermogen vergaard, dan verlaat hij de markt, hij heeft zijn doel bereikt. Gaat hij failliet, dan keert hij terug tot zijn vorig bestaan van werkbaas, opzichter, timmerman,

Een aantal faillissementen is het chronisch gevolg van die ingewikkelde, moeilijk te ordenen toestanden. Een zeer groot passief is er jaarlijks het gevolg van, schade aan tal van leveranciers, banken en particulieren veroorzakend.

Over eene periode van dertien jaar berekend (1905—1917), kwamen niet minder dan ruim 600 faillissementen voor van aannemers, architecten en bouwkundigen. Dit cijfer wordt ernstiger, indien men ook daarbij die faillissementen rekent, waarvan niet zeker is, dat zij het uitsluitend gevolg van eene bouwonderneming waren, maar waarvan een groot aantal toch direct of indirect is terug te voeren tot die oorzaak. Het zijn de timmerman-èn-aan-

*) Men zie hierover bv. de, polemiek in ,,De Bouwondernemer" Nov. 1912, p. 132, Jan. 1913, p. 2.

Sluiten